|
Nieuwe meesters, nieuwe wetten |
|
148. |
nr. 1 van het 'Heeresgruppen-Verord-nungsblatt
für die besetzten Gebiete', met bekendmakingen en verordeningen dd. 10 mei 1940 (dus de dag van de Duitse inval zelf),
toepasselijk op de bevolking van het bezet gebied. Deze
publicaties, 'n soort alternatieve Staatsbladen, zijn drietalig
Duits-Nederlands-Frans.
Kopie ter inzage |
|
149. |
nr. 2 van 'Verordnungsblatt des
Militarbe-fehlshabers in Belgien und Nordfrankreich für die
besetzten Gebiete', dd. 17 juni 1940, met de klever 'Nr 1 van
het Verordnungsblatt zal binnen kort verschijnen'.
Het nr. 1 van deze
publicatie is het zelfde document als dat onder
cat. nr. 148, maar heruitgegeven onder de naam 'Verordnungsblatt
des Militarbefehlshabers in Belgien und ...'.
Kopie ter inzage |
|
150. |
Diverse nummers van het 'Verordnungsblatt
des Militarbefehlshabers in Belgien und ...', 1940 en '41. |
|
Belgen en bezetters
Tijdens de eerste weken en maanden van de
bezetting stond het overgrote deel van de Belgische bevolking
neutraal en misschien zelfs een beetje welwillend tegenover de
Duitsers, die ongetwijfeld een goede indruk gaven. Men had,
zoals in de vorige oorlog, barbaarse Teutonen verwacht; nu werd
men geconfronteerd met gemanierde, hulpvaardige en
goedgehumeurde Duitse soldaten. Eigenaardig genoeg waren het
deze keer de Britten en de Fransen die het moesten ontgelden. De
meeste Belgen hadden hun garanten geestdriftig onthaald, maar al
vlug waren ze door hun wandaden ontnuchterd. Ze maakten zich
schuldig aan plunderingen, arbitraire aanhoudingen, onnodige
vernielingen en plagerijen jegens de burgerbevolking (zie cat. 96 e.v.), waartegen de correcte houding van de Duitse troepen
nogal schril afstak.
Na 28 mei kwam het land in handen van een
militair bestuur. Aan het hoofd ervan stond generaal von
Falkenhausen, bijgestaan door twee staven: de Kommandostab,
voor militaire zaken en de Verwaltungsstab, onder de
leiding van Reeder, die voor de bestuursaangelegenheden instond.
Al van in het begin werd die Militarverwaltung geconfronteerd
met het probleem van de werkloosheid. Niet minder dan een half
miljoen personen moesten, vooral met het oog op het handhaven
van rust en orde, zo spoedig mogelijk aan het werk gezet worden.
Daartoe nam de bezetter zijn toevlucht tot twee maatregelen:
enerzijds, de vrijwillige tewerkstelling in Duitsland en,
anderzijds, werkverschaffing door de oprichting van het door
secretaris-generaal Verwilghen geleide Commissariaat voor 's
Lands Wederopbouw. In het dagdagelijkse leven probeerden de
meeste Belgen, ondanks allerhande restricties, hun gewoontes te
behouden en vonden ze steeds wel een middeltje om de strakke
Duitse reglementering te omzeilen. De zomer 1940 verliep dus
relatief probleemloos. Het was pas in het najaar, toen de
ravitaillering stokte, met de honger als realiteit, dat men pas
goed begon te ervaren wat oorlog en bezetting, ook nu weer,
werkelijk betekenden.
De 'FeldcommandanturAsse' onder Ober-Feldwebel
Klopfer controleert in onze streek de naleving van de Duitse 'Verördnungen'. |
|
Radio België
Al van bij het begin van de bezetting vonden
velen soelaas bij de BBC-uitzendingen. Groot was hun verrassing
toe ze, op 28 september, tussen de Duitse stoorzenders door, op
de golflengte van de BBC, de eerste uitzending van Radio België-Radio Belgique te horen kregen. De initiatiefnemer en
latere uitvinder van het V-teken, Victor de Laveleye zorgde voor
de presentatie van de Franstalige programma's. Aan Vlaamse kant
nam Nand Geersens, alias 'Jan Moedwil', die taak op zich.
Beiden brachten zij hoop en vertrouwen in een betere toekomst
onder de Belgische bevolking, die vier donkere bezettingsjaren
tegemoet ging. |
|
151. |
Jan Moedwil (Nand
Geersens): hartversterkende Vlaamse radiostem uit Londen.
Fotovergroting. |
|
De pers onder de bezetting: de politiek van het
minste kwaad
Na de Duitse inval van 10 mei hadden de kranten geleidelijk
hun publicatie gestaakt. Het sluiten van de krantenbedrijven was
in de eerste plaats te wijten aan de algemene mobilisatie en de
massale vlucht van journalisten en uitgevers naar Frankrijk. De
Algemene Persbond had trouwens de journalisten ertoe aangezet in
geval van een Duitse overheersing de 'pen te breken' en het
land te verlaten. Een reeks dagbladen zoals (de met de Duitsers
sympathiserende) Volk en
Staat
en De Dag konden evenmin verder verschijnen omdat hun
uitgevers of redacteurs op 10 mei door de Belgische
staatsveiligheid waren aangehouden (de overheid was van oordeel
dat deze kranten het defaitisme onder de bevolking zouden
aanwakkeren). Op 19 mei 1940, dus halfweg de periode van de
18-daagse veldtocht, verscheen er in België geen enkele krant
meer.
Over heel het land troffen de Duitsers dan ook lege
redactielokalen aan. Toch zijn ze er op merkwaardige wijze in
geslaagd zeer vlug een aantal dagbladen in het bezette België te
laten verschijnen.
Omdat het verwerven van controle op de media
essentieel was voor het vestigen van hun 'nieuwe orde', wilden
de Duitsers de Belgische journalisten zo snel mogelijk terug aan
het werk krijgen. Nadat de bezetter ermee had gedreigd de kranten-persen in beslag te nemen besloten een aantal
twijfelende uitgevers hun dagblad terug te verspreiden; ze
vreesden immers dat hun kranten in handen zouden vallen van
Duitsgezinde extremisten. De meeste uitgevers zouden de knoop
pas definitief doorhakken na het raadplegen van een aantal
vooraanstaande hoogwaardigheidsbekleders. Bovendien voelden ze
zich in hun beslissing gesteund door Leopold
III die de bevolking
opriep om het werk te hervatten. In oktober 1940 verschenen
reeds 24 dagbladen.
Het Algemeen Nieuws en Het Volk
waren de
eerste Vlaamse kranten die in bezet België zouden verschijnen.
'Wij hebben gemeend onze Vlaamsche menschen den troost en den
steun van een eigen blad niet langer te mogen onthouden'. Met
deze woorden verklaarden de redacteurs van Het Algemeen Nieuws
waarom ze ook onder Duitse bezetting bleven werken.
Net zoals hun uitgevers kozen vele journalisten voor 'de
politiek van het minste kwaad'. In totaal zou 1/4 van de
journalisten hun activiteiten hervatten. Onder hen bevonden zich
heel wat opportunisten en aanhangers van de 'nieuwe orde', die
reeds voor de oorlog actief waren in antiparlementaire
bewegingen. Andere journalisten hernamen hun werk uit financiële
noodzaak. Sinds ze 'hun pen hadden gebroken' was er immers geen
brood meer op tafel gekomen. |
|
De pers aan banden
De kranten die verschenen konden dat enkel onder
bepaalde voorwaarden. De illegale pers mocht onder geen beding
verschijnen en de bezetter probeerde dat ook zo goed mogelijk te
vermijden, al dan niet met medewerking van de plaatselijke
besturen.
De Propaganda-Abteilung (PA) oefende absolute controle
uit op de pers. Ze censureerde de inhoud van de kranten en eiste
medezeggenschap in het beheer. De PA bepaalde of een krant mocht
verschijnen of niet. Ze kon redacteuren aanstellen en ontslaan
en zelfs de prijs van de krant en de lonen van de journalisten
bepalen.
Om de controle op de media te vergemakkelijken
vaardigde de PA een perswet uit waarbij elke krant die tijdens
de bezetting wou verschijnen, eerst de toelating bij de PA moest
aanvragen. Veel meer dan voorzien stroomden de aanvragen toe.
Ongeveer de helft moest geweigerd worden. Het beperken van het
aantal dagbladen tot 27 (tegen 65 titels voor de oorlog) en van
het aantal periodieken tot 600 (2.500 voor de oorlog) werkte de
centralisatie in de hand. Met medewerking van de PA werd de
vroegere Algemene Belgische Persbond hervormd tot de Vereniging
van Belgische Journalisten. Alhoewel journalisten niet verplicht
waren zich hierbij aan te sluiten, bezat deze 'vereniging' een
zekere machtspositie, namelijk het afleveren van perskaarten. Om
de controle te vereenvoudigen over de oplage, verkoop en
verspreiding van de kranten, gaf de PA het monopolie van de
distributie aan het agentschap Dechenne. Tijdens de bezetting
werden alle kranten verspreid via deze ene distributeur. Kranten
die zich niet hielden aan de Duitse reglementen liepen het
enorme risico om de volgende dag niet in de krantenwinkels te
liggen.
De PA had ook nog een machtig indirect
drukkingsmiddel: de verdeling van krantenpapier. Kranten die
niet meegaand genoeg waren kregen slechts een zeer karig
papierrantsoen. Dit betekende niet enkel redactioneel een
catastrofe, maar het had ook repercussies op het reclameaanbod
en dus op de financiële armslag. Zo moesten op het einde van de
oorlog De Gentenaar, De Landwacht en Hef Nieuws van
den Dag (17 mei '44) hun publicatie staken omdat, volgens de
bezetter, onvoldoende papier voorhanden was.
De dagbladen die tijdens de bezetting van de
pers kwamen, kunnen onderverdeeld worden in oude, nieuwe en
gestolen bladen. In de categorie van oude kranten treft men twee
uitersten aan. Vooreerst zijn er de officiële woordvoerders van
collaborerende groepen. Zo was Volk en Staat de
spreekbuis van het VNV en was Le Pays Réel het klankbord van Rex,
de partij van Léon Degrelle. Daarnaast waren er bladen die zich
afzijdig hielden van de collaborerende groepen en die zoveel
mogelijk trachtten hun vooroorlogse traditie in stand te houden
(Hef Nieuws van den Dag, De Dag, De Gentenaar-De Landwacht).
De zogenaamde gestolen bladen zijn die kranten die tegen de
wil van de eigenaars of beheerders opnieuw verschenen (Hef
Laatste Nieuws, Vooruit, Le Soir). Maar ook hier is de
situatie verwarrend omdat bepaalde van deze 'gestolen' bladen
uiteindelijk toch in stilzwijgende of gedeeltelijke overeenkomst
met de vooroorlogse beheerders verschenen. Voor wat de categorie
van de 'nieuwe' dagbladen betreft, is er geen twijfel mogelijk;
al de kranten gesticht tijdens de bezetting kwamen enkel in
nauwe samenwerking met de Duitsers tot stand (Hef Vlaamsche
Land - zie cat. 154, De Gazet).
Censuur of niet, tijdens de oorlog werden heel
wat kranten gelezen. De toenmalige (gemiddelde) oplagen van de
Vlaamse dagbladen geven een idee van de levendige krantenmarkt.
|
Het Laatste Nieuws: |
200.000 |
|
|
Het Algemeen Nieuws:
|
170.000 |
|
|
De Gazet:
|
86.000 |
|
|
Het Nieuws van den Dag: |
70.000 |
|
|
De Gentenaar-De Landwacht: |
45.000 |
|
|
Het Volk (tot eind okt.
'40): |
40.000 |
|
|
Het Vlaamsche Land: |
30.000 |
|
|
Volk en Staat: |
20.000 |
|
|
Vooruit: |
12.350 |
|
|
De Toekomst:
|
4.500 |
|
Volk en Staat
Dit Vlaams dagblad, in 1936 opgericht, was het
orgaan van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) - zie
'Collaborerende verenigingen'. De aanvankelijke (radicale)
hoofdredacteur H. Van Puymbrouck werd in 1938 vervangen door A. Mermans, terwijl Staf De Clerck het merendeel der aandelen in
handen kreeg. In 1940 verdedigde de krant de
neutraliteitspolitiek en ze nam in de eerste plaats een Vlaams
standpunt in. Nadat Mermans op 10 mei 1940 was aangehouden,
staakte Volk en Staat haar publicatie. Vanaf 13 juni,
rolde de krant echter opnieuw van de pers. Volgens de PA was
Volk en Staat -ondanks de eerder beperkte oplage- één van de
doeltreffendste propagandakanalen in Vlaanderen.
Het blad
verdween uiteraard in sept. 1944. |
|
152. |
Het Volk van 28 mei 1940, eerste editie van onder de bezetting, alleen verspreid
in Groot-Gent. Alhoewel de beheerraad naar Frankrijk vluchtte,
verscheen Het Volk op 28 mei voor het eerst terug in de
krantenkiosk, dit op persoonlijk initiatief van één
afgevaardigde beheerder: Verheeke.
In het artikel 'De Toestand'
maakte Het Volk duidelijk dat de krant vooral praktische
informatie zou geven: 'Als de toestand is zoals hij nu is, dan
heeft een dagblad niet te beslissen over de wen-schelijkheid van
'zijn' of 'niet zijn' en dan weet de lezer ook dat hij er niet
moet in zoeken wat zijn hartje lust, maar hij moet er in vinden
alles wat hij moet weten om zijn leven in te richten naar de
omstandigheden'.
Eind oktober 1940 besloot de teruggekeerde beheerraad de
publicatie van de krant stop te zetten. Blijkbaar wilden de
beheerders hun krant op geen enkele manier ter beschikking
stellen van de bezetter.
Tot 1944 zouden de rotatieven van Het Volk stilstaan.
Als gevolg daarvan had de krant na de bevrijding enige tijd
nodig om de machines terug op gang te brengen. Pas op 18 dec.
'44 kon Het Volk met haar eerste 'bevrijde' nummer
uitpakken. (Reproductie) |
|
153. |
Affiche publiciteit
'Algemeen Nieuws'. Fotovergroting. |
|
154. |
Affiche publiciteit
'Het Vlaamsche Land'. Fotovergroting. |
|
De Duitse soldaten bij ons |
|
155. |
Handboekje 'Mit
offenen Augen durch Belgien', met praktische aardrijkskundige,
geschiedkundige, culturele, toeristische,... informatie over
België ten behoeve van de Duitse soldaat in ons land. Uitgegeven
door 'der Propaganda Abteilung Belgien beim Militarbefehlshaber
für Belgien und Nordfrankreich'. |
|
156. |
Foto 'Duitse soldaten
likken aan een ijsje voor het Klein Kasteeltje in Brussel'. |
|
157. |
Duits officier geeft
'n bijdrage aan het Rode Kruis. Fotovergroting. |
|
158. |
Duitse muziekkapel op
Brouckèreplein te Brussel. Fotovergroting. |
|
159. |
Een souveniertje kopen
in het bezette Brussel. Fotovergroting. |
|
160. |
Gedisciplineerde
Duitse troepen. Parade op de Kouter te Gent. Fotovergroting. |
|
Af en toe lagen in Opwijk ook voor enkele weken
of maanden Duitse soldaten ingekwartierd bij burgers of in
openbare gebouwen (zie cat. 167 e.v.). Handelaars dienden dan
allerlei materiaal te leveren tot inrichting van de opgeëiste
lokalen (de rekeningen dienden naar 't Gemeentebestuur
gestuurd).
Zo hoorde men die dagen hier ook de Hitlergroet
als een verafgoding van de Führer huilen als 'goedendag' wanneer
een paar Duitsers mekaar tegenkwamen. Het gedreun van Duitse
soldatenlaarzen op onze straten. De ijzeren tucht bij de
Duitsers. Het sterke ritme van hun stapliederen. De schrik die
er bij alle soldaten ingehamerd was om ook maar enige kritiek op
het regime te uiten. De diepe vrees -zelfs tegenover een
bevriende medesoldaat- hij zou eens een geheim agent kunnen zijn
van de Gestapo, S.S. of Feldgendarmerie. Het hoorde er allemaal
bij... |
|
161. |
Wegwijzers, in 'Duitse
kleuren' (geel/zwart), 'Mollem' en 'Dendermonde'. Met het
krijgsgeweld van de meidagen 1940 waren de meeste wegwijzers in
onze dorpen, om militair-strategische redenen, verdwenen,
beschadigd, van richting veranderd,...
De Duitse bezetter liet
overal -ook voor hun gemak, in hun bezet- gebied nieuwe
wegwijzers plaatsen, volgens hun normen: zwarte tekst op gele
achtergrond. De Duitsers eisten ook de systematische plaatsing
van straatnaamborden op de huisgevels én de nummering van de
huizen. Dit vergemakkelijkte uiteraard ook hun controlewerk en
hun speurtochten naar ondergedokenen,... |
|
162. |
Wegwijzer 'Krankenverleilungsstelle
in de Frontleistelle', die leidde naar het Brugmannziekenhuis
(Laken) dat gedeeltelijk als Duits militair hospitaal ingericht
was. |
|
163. |
Wegwijzer 'UMGEHUNGS
Ring Brussel', geplaatst in Merchtem-dorp. |
|
164. |
Verkeersplaat 'UMGEHUNG
UMLEITUNG'. Zij deed dienst voor de markt te Merchtem. |
|
165. |
Foto's van het
Merchtems gemeenteplein tijdens de oorlog. Wij zien hier enkele
van de richtingaanwijzerplaten die hier tentoongesteld zijn.
De foto's zijn 'gecensureerd': de aanwezige Duitse soldaten zijn
vakkundig weggewerkt. |
|
166. |
In de schrijnwerkerij
bij Maurice De Ridder op de Dries te Mazenzele, werkten tijdens
de oorlog enkele Duitse soldaten. We zien hier van één van hen
een stukje papier met zijn eigenhandig geschreven Heimatadres. |
|
De bezetter ingekwartierd |
|
167. |
Lijsten 'Te leveren
door de gemeente (Opwijk) voor inkwartiering van
bezettingstroepen: infanterie', met aanduiding van de te leveren
goederen en diensten en de overeenkomstige kosten. Deze
lijsten bevatten een 40-tal inkwartieringsplaatsen.
De Waag diende voor 'eetplaats, keuken,wapenkamer,
slaapkamers'.
In de pastorie huisde 'de wacht'.
Lokalen van het huis van Jozef De Smedt
(Markt) dienden voor ziekenkamers en de
garage van Henri Van der Stappen werd gebruikt
als garage voor wagens. |
|
168. |
'Lijst der Quartiergevers aan bezettende troepen met bedrag', Opwijk. |
|
169. |
Heel wat Opwijkse
handelaars en stielmannen mochten of moesten leveren en werken
voor de Duitse bezetter. Wij zien hier een aantal rekeningen en
facturen voor geleverde goederen en diensten. Alles moest
blijkbaar langs het gemeentehuis passeren. |
|
170. |
Selectie van
opeisingsbevelen, staten van inkwartieringen, inventarissen,
rekeningen, verklaringen allerhande,... betreffende
inkwartiering van Duitse troepen vanaf mei '40. |
|
Gemeentebestuur onder
de oorlog
In april 1941 schorsen de
Duitsers de activiteiten van de gemeenteraad. De Duitsers
schreven ze af als uitwassen van een decadent parlementair
regime.
In tegenstelling met 1914-'18 krijgt het schepencollege
op gemeentelijk vlak alle wetgevende en uitvoerende macht
toegespeeld nadat op 7 maart 1941 de zogenaamde 'Ueberalterungsverordnung' van kracht is geworden.
Een slimme zet van de Duitse overheid, want daardoor worden alle
burgemeesters en schepenen, die de leeftijd van 60 jaar hebben
bereikt, gedwongen tot ontslag. De achterliggende bedoeling is
uiteraard hen zoveel mogelijk te vervangen door kandidaten van
de Nieuwe Orde, meestal VNV-ers. |
|
171. |
Omzendbrief van het
Ministerie van Binnenlandse zaken en Volksgezondheid aan de
gemeentebesturen, dd. 18 april 1941, waarin de
Secretaris-generaal meldt dat, volgens een beslissing van de
bezettende overheid, alle werkzaamheden voor de duur van de
oorlog verboden zijn. |
|
Opwijk
Politieke situatie na de
gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938: zie p. 5.
Opwijk
ging de bezetting in met Jozef De Smedt ( ° Opwijk 10-2-1875,
† Opwijk 23-3-1968, brouwer van Stoasens) burgemeester, Louis
Geeurickx (° Opwijk 13-4-1883, t Opwijk 14-8-1952, koster)
eerste schepen en Alfons Moens (° Moorsel 28-2-1875, † Opwijk-Nijverseel 9-11-1958, 'Fong van de Boerenbond') tweede
schepen, allen lid van de katholieke partij.
Ten gevolge van het besluit 7 maart 1941 werden
schepen Alfons Moens in 1941 en burgemeester Jozef De Smedt in
1942 uit hun ambt gezet.
Met een brief van 29 maart 1941 vraagt het
Opwijks gemeentebestuur aan de Overheid, burgemeester Jozef De
Smedt in dienst te willen houden (argumenten: uitstekende staat
van dienst, ruime ervaring, vertrouwen van Hogere Overheid en
van de bevolking, flinke gezondheid, tijd voor de uitoefening
van het ambt). Op 23 juli 1941 vraagt het gemeentebestuur aan de
Hogere Overheid, om, ter vervanging van schepen Alfons Moens,
Gustaaf De Nil (Gemeenteraadslid, Heirbaan) aan te duiden. Het
gemeentebestuur verstrekt op 8 september 1941 aan de Hogere
Overheid gevraagde inlichtingen betreffende de persoon en de
staat van dienst van Remi Moerenhout. Op 11 september meldt het
gemeentebestuur dat Gustaaf De Nil, om gezondheidsreden, dient
af te zien van het aanvaarden van het schepenambt. In zijn
plaats wordt Jozef van Mollem voorgesteld (Stationsstraat,
hophandelaar, in het begin van de oorlog leider der
Boerenwacht).
De bezettingsoverheid stelde dan uiteindelijk
Remi Moerenhout (Processiestraat) aan als schepen (eedaflegging
op 4 oktober 1941) en Paul Semal (architect, Schoolstraat,
° Opwijk 7-6-1891, † Antwerpen 21-2-1975) als burgemeester
(tekent als burgemeester de correspondentie van de gemeente
vanaf 26 januari 1942 tot 24 juni '43). Beiden verlieten Opwijk
zodat Louis Geeurickx wettelijk in dienst gebleven als eerste
schepen, de last van het gemeentebestuur gans alleen bleef
dragen tot het einde van de oorlog. |
|
172. |
Foto's, rouwbrieven,
bidprentjes,... van de burgemeester en schepenen tijdens de
oorlogsperiode. |
|
Mazenzele
Politieke situatie na de
gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938: zie p. 5.
Emiel Esselens ( ° Mazenzele 23-4-1884,
† 26-1-1959) ging als
burgemeester de bezettingstijd in. Schepenen waren Emiel Van de
Velde (° 21-9-1889) en Frans Vereist (° 7-12-1889). Van 1942 tot
1944 was August Couck (° Essene 23-5-1902, † Mazenzele 4-1-1977)
waarnemend burgemeester. |
|
173. |
Brief van het Mazels
gemeentebestuur naar de gemeenteraadsleden, dd. 19 april 1941,
waarin de beslissing van de bezettende overheid dat voor de duur
van de oorlog de werkzaamheden van de gemeenteraad verboden
zijn, aangekondigd wordt. |
|
174. |
Foto's, rouwbrieven,
bidprentjes,... van de burgemeester en schepenen tijdens de
oorlogsperiode. |
|
Ravitaillering en
rantsoenering van levensmiddelen
Tijdens de oorlog werden grote groepen van de bevolking met
honger geconfronteerd. Het dagelijks leven draaide voor velen
nagenoeg uitsluitend rond problemen van de voedselbevoorrading.
Ravitaillering en rantsoenering werden sterk aan banden gelegd.
Voedselschaarste werkte woeker, smokkel en sluikhandel in de
hand. Talrijke liefdadige instellingen trachtten de hachelijke
voedseltoestand te verlichten.
Op de vooravond van de Tweede wereldoorlog verbruikte de
gemiddelde Belg 10.716 Kj onder vorm van o.m. 78 gram proteïnen,
74 gram
vet en 390 gram koolhydraten en voedde zich aldus
overdadig en onevenwichtig. De inlandse landbouw dekte deze
overvloedige levensmiddelenconsumptie slechts voor de helft. De
afhankelijkheid van het buitenland varieerde naargelang het voedingsprodukt: vooral de import van graan en veevoeder was
zeer aanzienlijk.
Eens de oorlog en de instelling van de Engelse blokkade een
reële bedreiging vormden, zochten wetenschappers en overheid
koortsachtig naar de formule om 8,3 miljoen mensen met de
inlandse eetwarenproductie te voeden. Zich inspirerend op de
eerste Wereldoorlog, bouwde de overheid een institutioneel kader
uit. Ten einde de eerlijke verdeling van de levensmiddelen te
waarborgen, ontwierp ze een rantsoeneringsstelsel. Zij maakte
dit bekend via het besluit van 9 november 1939 en twee
uitvoeringsbesluiten. Verder trof ze een aantal begeleidende
maatregelen, zoals het cultuurplan en de prijsreglementering. De
voedselrantsoenering, bij besluit van 10 mei 1940 uitgevaardigd
door de regering-Pierlot en daags nadien in werking gesteld,
kwam dus geenszins als een verrassing.
Toen voormelde regering
het land verliet, namen de Secretarissen-generaal het roer over.
Zij inspireerden zich evenwel op het werk van hun voorgangers.
Een gigantisch administratief kader diende de bevoorrading van
de bevolking te verzekeren. Het Departement van Landbouw en
Voedselvoorziening had de hoogste bevoegdheid voor de
vraagstukken over de primaire sector en de ravitaillering. Het
oefende toezicht uit op andere instellingen die zich met deze
problematiek bezighielden. Daarbij was vooral de in augustus
1940 opgerichte Nationale Landbouw- en Voedselcorporatie van
belang. Die instelling diende marktordening te bewerkstelligen
en groepeerde daartoe alle sectoren die op één of andere wijze
voor de ravitaillering van de bevolking instonden. Andere
belangrijke instellingen waren de gemeentelijke diensten voor
voedselvoorziening en rantsoenering, het Commissariaat voor
Prijzen en Lonen en 'Winterhulp'.
In eerste instantie stelde men de bezetter voor het
voedseltekort verantwoordelijk. De bevolking ging er
van uit dat de Duitsers het land leegplunderden. De Belgische
radio-uitzendingen vanuit Londen versterkten die mening. De
hogere voedselrantsoenen toegekend aan Duitse onderdanen, aan
bepaalde categorieën van collaborateurs, alsmede aan arbeiders
die in dienst stonden van de Duitse oorlogseconomie, waren een
doorn in het oog van de massa. De publieke opinie stelde ook de
secretarissen-generaal voor de voedselschaarste
verantwoordelijk, met name vooral de Secretaris-generaal voor
Landbouw- en Voedselvoorziening, E. De Winter.
Basis van de voedselvoorzieningspolitiek was de
rantsoeneringstabel, die telkens voor een periode van 30 dagen
geldig was. Hierop stond het dagrantsoen, uitgedrukt in gram,
van tien verschillende producten in gram, bepaald. Deze
producten waren: 1. Brood of meel; 2. Koffieproductie
(surrogaten); 3. Voedingsvetten; 4. Zetmeelhoudende producten;
5. Zout; 6. Suikerwaren; 7. Aardappelen; 8. Havermout; 9. Olie;
10. Vlees. Tijdens elke rantsoeneringsperiode werd de
hoeveelheid aangepast aan de bevoorradingsmogelijkheden, beter
gezegd aan wat men kon of wilde leveren aan de bevolking. Elk
gezin diende zich jaarlijks in te schrijven bij de gemeentelijke
ravitailleringsdienst waar een ravitailleringskaart uitgereikt
werd. Deze kaart moest telkens voorgelegd worden bij het ophalen
van de ravitailleringszegels. Elk ravitailleringstijdperk
verschilden de zegels van kleur en het drukwerk werd steeds
geraffineerder om vervalsingen tegen te gaan. De zegels waren
genummerd van 1 tot 10, overeenkomstig de bovenvermelde
producten en ze gaven naargelang bepaald recht op 1, 2, 5, 10 of
30 dagrantsoenen, naargelang de voorschriften. Verder waren een
hele reeks wisselende bepalingen van kracht, die betrekking
hadden op extra-rantsoenen, speciale rantsoenen en rantsoenering
van producten, die niet op de tabel voorkwamen. Slechts enkele
voorbeelden: arbeiders, die zwaar werk verrichtten hadden recht
op extra-rantsoenen brood, margarine en vlees (zwarte zegels);
zwangere vrouwen en voedsters op een extra-rantsoen brood;
kinderen onder de 14 jaar, zwangere vrouwen, sommige zieken en
personen boven de 70 jaar op melk (zegel nr. 11), kinderen onder
de 4 jaar op eieren. Verder bestonden er vis-, fruit- en
groenten-, vlees-, melk- en eierkaarten voor sommige
plaatselijke gereglementeerde afdelingen.
Met de mensen die geen
recht hadden op rantsoeneringskaarten en -zegels (ondergedoken
werkwei-geraars, joden, gekende weerstanders,... dus alle mensen
die op de lijst van Duitsers als 'gezocht' vermeld stonden),
werd uiteraard bij de berekeningen geen rekening gehouden.
Gevolg: gebrek, diefstal van levensmiddelen op 't veld en
afgewerkte producten, kweken in 't zwart, smokkel, diefstal en
namaak van rantsoeneringsdocumenten,...
Door het rantsoeneringssysteem kende de Nationale Landbouw- en
Voedingscorporatie (N.L.V.C.,
opgericht op 27 augustus 1940, o.l.v. secretarisgeneraal De
Winter) theoretisch de precieze omvang van de kunstmatig
bepaalde voedselbehoefte per produkt en per woonplaats. Zijn
taak was dus de produktie en de distributie hierop af te
stemmen. Aanvankelijk meende men dat enerzijds propaganda om
meer te produceren en prioritaire levensmiddelen voort te
brengen en anderzijds sancties tegen de sluikhandel zouden
volstaan om het vooropgestelde doel te bereiken. Toen op
dramatische wijze duidelijk werd dat dit hoegenaamd niet werkte,
werd een steeds uitgebreider controlesysteem en een steeds
strakker geleide landbouweconomie opgelegd.
Reeds in augustus 1940 waren de melkerijen genationaliseerd
en was de boer verplicht zijn volledige melkproduktie te leveren
aan de hem voorgeschreven melkerij. In april 1941 werd de
verplichte registratie van de rundveestapel ingevoerd, later
volgde de varkensstapel. Op deze manier hoopte men een betere
greep op de zuivel- en vleesproductie te krijgen. Wie
onvoldoende melk leverde kreeg boetes of zijn vee werd
aangeslagen. Op basis van de informatie van de jaarlijkse
tellingen van het landbouwarsenaal en de opbrengsten werden
teeltplannen opgesteld, die opgelegd werden aan alle uitbaters
van meer dan 50 a (half september 1942 waren in Opwijk 561 boeren onderworpen aan dergelijke teeltplannen).
Een hoofdpeiler
in het beleid van de Corporatie waren de zogenaamde
'cultuurplannen', dit zijn actieplannen voor de landbouw met een
sterk dirigistische inslag. Opdat de overheid de nodige controle
zou kunnen uitoefenen, waren de landbouwers verplicht zich aan
opgelegde kwantitatieve en kwalitatieve normen te houden. De
officiële landbouwtellingen van 1940 golden als uitgangspunt
voor het cultuurplan 1940-'41. Hier werd een eerste belangrijke
vergissing begaan. De officiële tellingen hadden immers de
totale landbouwoppervlakte met 10 % of 180.000 ha onderschat.
De
teeltplannen hadden tot doel de aardappel- en broodgraanteelt en
vanaf 1943 de koolzaadteelt uit te breiden, en de teelt van
andere prioritaire gewassen zoals suikerbieten, cichorei,
peulvruchten, gerst en vlas op zijn minst stabiel te houden.
Voor graan en aardappelen werden van jaar tot jaar strengere
productienormen opgesteld, gebaseerd op de veronderstelde
vruchtbaarheid van de grond. Die werd aanvankelijk per
landbouwstreek maar vanaf het einde van 1943 voor elke gemeente
afzonderlijk bepaald. Naast teeltregeling was er de verplichting
om weiden te 'scheuren' (om te ploegen): in 1942-'43: 10 % en in
1943-'44: 20 %. Elke landbouwer werd verplicht jaarlijks een
zaaiplan in te dienen ter controle of het conform was aan een
teeltplan. Na goedkeuring kreeg hij in functie hiervan zaaigoed
en meststoffen toegewezen. Bij een slechte oogst
was er de mogelijkheid een schatting ter herziening van de te
leveren hoeveelheden aan te vragen.
De grossist en de
kleinhandelaar hadden een vergunning nodig om hun beroep te
mogen uitoefenen. De groothandel en ten dele ook de kleinhandel
werden op die manier grondig 'gerationaliseerd'. In elke streek
werden groothandelaars 'erkend', die het monopolie kregen over
één of meerdere producten. Voor elke bevoorrading was een
machtiging nodig. De kleinhandelaar bv. kreeg zijn machtiging op
basis van de ingeleverde borderellen met ravi-tailleringszegels
of het aantal ingeschreven cliënten. Zo hoopte men de
distributie en de stocks te controleren. Dit systeem was echter
zo ingewikkeld en zo omslachtig dat de bevoorrading totaal mank
liep. Onregelmatige en te weinig gespreide verdelingen,
levensmiddelen die lagen te rotten of bevroren en bevoorradingen
die niet op elkaar afgestemd waren (bakkers die over meel
beschikten maar niet over kolen om hun ovens te stoken).
De
werkelijkheid draaide dus wel heel anders uit dan het beeld van
een corporatief stadje, waar iedereen samenwerkt om het
gemeenschappelijk doel te bereiken, zoals men de bevolking in
1940 voorspiegelde (zie cat.
nr. 204).
De N.L.V.C, was een
indrukwekkende monsteradministratie met duizenden ambtenaren,
die over verregaande bevoegdheden beschikte; ze gebood, verbood
of beperkte de productie van levensmiddelen of het gebruik van
bepaalde ingrediënten, ze regelde de distributie en de verkoop,
bepaalde de prijs en legde boetes op wanneer haar bepalingen
niet nageleefd werden. Het regende onophoudelijk bepalingen en
voorschriften, die elkaar aanvulden, ophieven, specificeerden en
in niet geringe gevallen mekaar tegenspraken. De N.L.V.C, telde,
plande, reglementeerde en controleerde zodanig, dat elke burger,
producent en consument, als het ware op elk moment moest kunnen
bewijzen dat hij handelde volgens de voorschriften. Het gezegde
'Indien papier kon gegeten worden zou de N.LV.C. het
voedselprobleem prachtig opgelost hebben'.
In 1940 reeds wordt
de ravitailleringsdienst in elke gemeente ingericht.
Zoals zowat overal waren de bedienden van het
ravitailleringsbureau veelal beroepsmilitairen van vóór de
oorlog. Zij waren immers 'technisch werkloos' en hun wedde moest
toch uitbetaald. In veel gevallen waren deze mensen 'patriotten'
zodoende eerder anti-Duits. Zij dienden niet altijd strikt de
belangen van de bezetter en in veel gevallen pasten zij in hun
job bepaalde reglementeringen méér dan soepel toe, ten voordele
van de noodlijdende bevolking.
Opwijk krijgt twee mensen toegezonden die zich met de
inrichting ervan zullen gelasten. Het waren de heren
Oscar-Gustaaf Ringoir en Gustaaf Pullinckx, beiden van Brussel.
G. Pullinckx deed ook dienst in Mazenzele. In het oude
schoolhuis
(Schoolstraat, bij de vroegere gemeentelijke jongensschool,
nu BuSo) worden de burelen ingericht. Een achttal
bedienden
-allen Opwijkenaars-, zullen voor Opwijk de
ravitailleringsonderrichtingen op papier zetten en naar best
vermogen uitvoeren. In Mazenzele deed Maurits Heuninckx dienst.
Een landbouwtelling wordt gehouden: landbouwers, gronden,
weiden, boomgaarden, kleine hovingen, veestapel, kleinvee,
inzonderheid de oppervlakten van graan- en aardappelvelden
dienen gekend. De landbouwers werden in evenredigheid verplicht
vlees, graan, melk aardappelen, stro,... te leveren. Er moesten
opnieuw slooren (koolzaad) aangeplant worden.
Om de maand kon ieder gezinshoofd in het bedelingslokaal, een
klas van de jongensschool, de hem toegekende rantsoenzegeltjes
(melk, boter, vlees, brood, textiel, schoenen, kolen,...,
hoeveelheid in functie van de gezinssituatie en -samenstelling)
gaan afhalen.
Een maandrantsoen -wanneer men er kon aangeraken- was amper
voldoende om 14 dagen rond te komen. Vandaar de opkomst van
smokkel, woeker, vindingrijkheid en plantrekkerij van de
bevolking. Stielmannen lieten zich veelal door boeren en andere
'producenten' betalen in natura. Een nieuw kostuum van de
kleermaker voor de boer voor zoveel kilo meel, spek, boter,...
(alles in 't zwart' natuurlijk).
Voor het opmeten van graan- en aardappelvelden werden
onderwijzers en gemeentebedienden aangeduid. Opwijk kromp die
dagen merkelijk in oppervlakte. Immers, elke boer loog een
beetje en de 'landmeters' werkten met kettingen van 10 meter
plus twee-drie passen als toemaat. Op papier mislukten de
oogsten regelmatig, de koeien stonden opvallend veel droog, de
varkens wilden niet vreten, een koe werd gestolen 'met 't geld
in de kribbe', de kiekens staakten met eieren leggen, men legde
het te veel aan graan bij een burger op 't zolder,.... De
controleurs konden zich laten omkopen (meestal en bij voorkeur
in natura) of ze riskeerden een aanslag of een rammeling van
onbekenden.
De schoolbedelingen omvatten naast vitaminepilletjes ook soep
en maïs. Haring werd soms bij drie-vier ton op de speelplaats
van de jongensschool afgekapt en met een bollekensriek in de
emmers van de huismoeders bedeeld. De rantsoenmelk werd soms
zodanig gedoopt dat het vetgehalte aan de zéér lage kant lag. In
de textielproducten was er naar het einde van de oorlog geen
ziertje wol te vinden, ersatz noemde men dat, geweven van
aardappelloof vertelden de mensen. De kolen -wanneer men die kon
krijgen- waren veelal ook van de minste kwaliteit: véél stenen,
véél gruis, of stoffige eitjes of papperige slam of de bruine
spriet.
Die haring, vitaminen, schoolsoep en -koeken en de goede aard
van vele van onze boeren, verdienen onze dankbare hulde!
Een inbraak in een ravitailleringsbureel was niet zo
uitzonderlijk. Evenmin uitzonderlijk kregen enkele overledenen
nog hun rantsoenzegeltjes. Familie en enkele vrienden van onze
boeren kregen een klutske graan, aardappelen, boter, spek,...
aan een behoorlijk prijsje. Ruilhandel bracht ook hier en daar
enige oplossing. Om de huisbrand enigszins aan te vullen kregen
sommige mensen een paar bomen uit het bosje van meneer.
De rest van het 'tekort' diende in de smokkel tegen
woekerprijzen aangeschaft te worden, met de nodige risico's in
kwaliteit en kwantiteit, en ten koste van de laatste
spaarcentjes van kleine burgers, werkmensen en ouderlingen.
Op 29 oktober 1940 richt de Duitser bezetter en de Belgische
overheid de hulpverlenende Winterhulp op. Winterhulp
organiseerde tegen betaling en afgifte van rantsoenzegels
o.a. soep- en meikbedelingen en goedkope maaltijden voor
diverse catogorieën van steungerechtigden.
'Boerenhulp',
een organisatie ontstaan in de schoot van de N.LV.C. ving
ondervoede stadskinderen gedurende enkele maanden op bij
landbouwersgezinnen die vrijwillig hun diensten aanboden. De
N.L.C.V. zette op deze manier de gepriviligieer-de positie van
de boer in het licht en kon in feite op geen betere manier de
mislukking van haar voed-selpolitiek illustreren.
Het Werk van den Akker spoorde de bevolking er ietwat
overbodig toe aan alle voor tuinbouw vatbare percelen maximaal
te benutten. In de zomer van 1942 zijn dan ook alle tuintjes en
lapjes grond en in de steden ook bijna alle parken en
plantsoenen omgetoverd tot groenteperken. De ploeg gaat zelfs
door het park van Laken.
C.O.O., Winterhulp, St.‑Vincentiusgenootschap, Rode Kruis,
stichtten veel goeds, doch maakten ook misnoegden omwille van -zogezegde-
onredelijke verdelingen. Deze instellingen, de schoolbedelingen,
de soms overvloedige haringrantsoenen, de gulhartigheid van een
aantal welstellende families,... lenigden hoe dan ook enigszins
de zwaarste nood.
Verplichte levering van landbouwopbrengsten |
|
175. |
Lijsten 'Levering van
aardappelen', respectievelijk 28 september en 3 oktober 1940. |
|
176. |
Affiche uitgaande van
het Ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening
'Vergemakkelijking van den aankoop van Plant-aardappelen', met
het besluit van 15 april 1941 (B.S. 14-15-16 april 1941) en
model van een formulier dat door de
gemeente diende verstrekt 'Toelating tot vervoer van inlandsche
aardappelen bestemd voor het planten'. |
|
177. |
Document van de
Aardappelcentrale 'Toelating voor den verkoop en het vervoer van
plantaardappelen', Verkoper: Louis Van Gerwen (Nanovestraat).
Bestemmeling: Jean Wouters (Kerkstraat). 21 april 1941. |
|
178. |
Blanco-formulier 'Gemeente Opwijk-Ravitaillering STROO. Persoonlijk
Leveringsbevel', in toepassing van de verordening van 10 oktober
1941. |
|
179. |
Verdeellijst voor
levering van 35.229 kg. stro, Opwijk, dd. 21 augustus 1942. |
|
180. |
Tabel van de gemeente
Opwijk 'Leveringsplicht in Haver Oogst 1942, afgesloten 11 september 1942. In totaal komen 331 'leveranciers' op de
lijst voor. De te leveren hoeveelheid bedroeg 4 of 5 kg. per
are. In totaal werd 36.844 kg. geleverd. |
|
181. |
Ontvangstbewijs van
bevelschriften aan Opwijkse burgers voor verplichte levering van
hooi, dd. 6 januari 1944. |
|
182. |
Leveringsbevel vanwege
de S.V. Stroo- & Fouragekantoor, in opdracht van de Duitse
overheid, aan de gemeente Opwijk, voor levering van 30.875 kg.
hooi, dd. 8 februari 1944. De lading moest overgemaakt worden
aan L. Coppens van Asse. |
|
183. |
Kaart 'Mobilisatie van
den oogst 1944. Algemeene kaart van den aan het teeltplan
onderworpen exploitant' van Judocus Esselens (Doortstraat),
1944. De binnenluiken geven ons de 'Verantwoording der
productie- en leveringsverplichtingen opgelegd door het
teeltplan' en de 'Bijzondere leveringsverplichtingen'. Het
laatste luik blijft voorbehoud voor de aanduidingen 'Beweging
der leveringen'. |
|
184. |
Enkele kaarten
'Mobilisatie van de oogst 1944'. Algemeene kaart van den niet
aan het teeltplan onderworpen exploitant', Opwijk, 1944. |
|
185. |
Tweetalige affiche -Nederlands-Frans-, uitgaande van het Ministerie
van Volksgezondheid en
Ravitailleering 'Ravitailiee-ringszegels bestemd voor de
Duitsche militairen en burgers'. |
|
186. |
Uittreksel uit het
register der beraadslagingen van de Opwijkse gemeenteraad,
zitting van 9 januari 1945, betreffende de vergoeding van de 16 ingeschakelde onderwijzers (15 fr. per dag) en de
4 aangeworven
personen (44,80 fr. per dag) die in 1941 en 1942 de opmeting van
de landbouwgronden en de landbouwtellingen uitgevoerd hebben.
Totale uitgave: 13.050,40 fr. |
|
187. |
Controle aardappelen
door aardappelcen-trale. Fotovergroting. |
|
188. |
Levering van
aardappelen aan de aardap-pelcentrale. Fotovergroting. |
|
189. |
Selectie van diverse
andere documenten betreffende de ravitaillering. |
|
Rantsoenering |
|
190. |
Affiche uitgaande van
Ministerie van Volksgezondheid en Ravitailleering 'Rantsoeneering
van eetwaren', Besluit van 2 juli 1940. Wij zien er een
rantsoeneringstabel op, met een lijst van gerantsoeneerde
produkten, met het overeenkomend nummer van de zegel, het
aantal rantsoenen per zegel, het rantsoen per dag in gr. en de
hoeveelheid per zegel.
Deze tabellen die in het openbaar werden uitgehangen
vermelden dus met hoeveel en met welke rantsoeneringscoupons men
bepaalde producten kon kopen. Deze rantsoeneringstabellen werden
ook erg regelmatig gepubliceerd in de dagbladpers (zie o.a. de
verwijzing naar de tabel in Hef Algemeen Nieuws van 6 november 1940 - cat. 370).
Onderaan lezen we het bericht dat de Duitse militaire
overheid een verordening heeft uitgevaardigd, waarbij het
stelsel der levensmiddelenrantsoenering, van 11 juli 1940 af,
voor het geheel van het Rijk, tot alle Duitse burgers en
militairen uitgebreid wordt, met nadere uitleg voor het systeem
van Duitse militairen en burgers die niet van de
troepenhuishouding afhangen, en voor mess en kantines van de
Duitse overheid. (Reproductie) |
|
191. |
Affiche met de
rantsoeneringstabel, geldig vanaf 7 januari 1941. |
|
192. |
Affiche met de
rantsoeneringstabel, geldig van 27 mei tot 25 juni 1943. |
|
193. |
Affiche met de
rantsoeneringstabel, geldig van 19 augustus tot 17 september
1944. Het is dus de laatste lijst vóór de Bevrijding. |
|
194. |
Aanplakbriefje, in het
Duits. Vertaling: Bij verordening van de militaire bevelhebber
is het aan het restaurant VERBODEN gerantsoeneerde voedingswaren
ZONDER ZEGELS AF TE LEVEREN.
De leden van de Wehrmacht (Duitse
leger) die zelf instaan voor hun voeding kunnen zegels bekomen
op het bureau van de plaatselijke (legercommandant. |
|
195. |
De verslechtering van
de bevoorrading in de loop van 1941 komt ook tot uiting in de
mededelingen in de kranten omtrent de ravitaillering. Op de
voorpagina van Het Algemeen Nieuws van 25 september 1941 werden niet minder dan
3 bijdragen gewijd aan de toestand: 'Onze
bevoorrading in broodgraan - De oogst was goed doch zal niet
volstaan om de bevoorrading te verzekeren - Invoer van
broodgraan in het vooruitzicht gesteld', 'Geen maaltijden in de
spijshuizen zonder zegels - Donderdag en Vrijdag zijn vleeschlooze dagen - Het een-gerechtstelsel
ingevoerd' en
'De rantsoeneering der
eieren begint in Oktober'. Op pagina 3 lezen wij nog de
'Kroniek der Bevoorrading
- De stand onzer voedselvoorziening - De winkeliers moeten
slechte aardappelen weigeren'. |
|
196. |
Uithangbiljet 'Rantsoeneering
der eetwaren', uitgaande van het Ministerie van Ravitaillering,
volgens besluit van 22 februari 1945 (Besluit reeds van kracht
op 15 februari 1945!). Het betreft wijzigingen aan het besluit
van 13 februari 1945 (rantsoeneringperiode 15-2 tot 16-3 1945). |
|
197. |
Blanco
'Ontvangstbewijs voor aflevering van gewone zegelbladen aan
nieuwe verbruikers', gemeente Opwijk. |
|
198. |
Plooifoldertje van de
gemeente Opwijk, met diverse praktische inlichtingen en
modaliteiten betreffende de verspreiding en het gebruik van de
rantsoeneringszegels, voor waren die aan een machtiging
onderworpen zijn, schoeiselbons, maalvergunningen,
huisslachting,... |
|
199. |
Rantsoeneringskaarten
en -zegels en waardebons, voor alles en nog wat, in alle maten
en vormen! |
|
200. |
Apparaatje om
rantsoeneringszegels te vernietigen. |
|
201. |
Brief van het
Ministerie van economische Zaken, Algemene Dienst voor de
Distributie, Afdeling Tabak, dd. 25 juni 1943, aan de firma Ch.
Joostens & C° (Statiestraat), waarin, na een klacht ter zake,
wordt uitgelegd hoe de verdeling van tabaksproducten 'op
billijke wijze' diende te geschieden. |
|
202. |
Enkele stempels van de
Opwijkse ravitailleringdienst. |
|
203. |
Enkele pro-Justitia,
opgesteld door de Mazelse burgemeester Emiel Esselens,
1945-'46, betreffende het verlies, vernietiging
door ongeluk,... van rantsoeneringkaarten door ingezetenen. |
|
204. |
'De Nationale
Landbouw- en Voedingscorporatie met haar sectoren en hoofd-groepeeringen is als een stad...'. Idealistische
voorstelling van de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie.
Fotovergroting. |
|
205. |
Wortels van
Winterhulp in plaats van snoep. Fotovergroting. |
|
206. |
Selectie van diverse
andere documenten betreffende de rantsoenering. |
|
 |
|
Cat. 191 |
Bescherming en diefstal van de oogst en de
veldvruchten |
|
207. |
'Verordeningen op het
verkeer binnen de Gemeente', Mazenzele. Om diefstal van de
oogst en veldvruchten in te dijken werd de toegang tot de
los-
en
de veldwegen verboden, behalve voor de toezichthoudende
overheidspersonen en voor eigenaars, huurders en gebruikers (en
hun aangestelden) van de aanpalende percelen. Aan de ingang der
wegen zal op last van de gemeente een bord 'verboden ingang'
geplaatst worden. |
|
208. |
Enkele verklaringen
van de Politie van Opwijk betreffende ingediende klachten tegen
onbekenden voor diefstal van aardappelstruiken, 1942 en '43. |
|
209. |
Enkele Pro-Justitia
opgesteld door Mazels veldwachter Alfred Jacobs, betreffende
diefstal van 'groeiende aardappelen' en van
koolzaad, 1944. |
|
Boerenwacht
Deze instelling zag het daglicht in juni 1941 (Besluiten van 24 juni en
4 augustus 1941). Zij stond in voor
het bewaken van de veestapel, de landeigendommen en de oogst. De
organisatie en de leiding van de Boerenwacht berustten bij de
N.L.C.V.
De Boerenwacht kende een strenge hiërarchische
structuur: Corporatieleider (van de N.L.V.C.), Algemeen overste,
Vlaamse en Waalse oversten, Provinciale oversten,
Arrondissementsoversten, Gemeenteoversten, Wijkoversten,
Trosoversten en Wachters.
De taak van de algemeen overste tot
deze van de arrondissementsoverste lag grotendeels op het
administratief vlak. De gemeente-, wijk- en trosoversten lieten
zich met de bewaking in.
Aanvankelijk waren de wachters allemaal
vrijwilligers. Vanaf augustus 1941 kon de burgemeester mannen
tussen de 18 en 60 jaar opeisen indien de (vrijwillige)
bezetting minder dan één wachter per 10 ha bedroeg. De
Boerenwacht kampte immers met een schrijnend gebrek aan
vrijwilligers en genoot slechts weinig steun bij de
landbouwbevolking.
De leden van de Boerenwacht behoorden niet tot
de gerechtelijke politie, legden geen eed af en waren niet
bevoegd om rechtsgeldige processen-verbaal op te stellen. De
organisatie had vooral een preventieve taak en verwittigde de
openbare macht van vastgestelde overtredingen of gevaren. Zij
onderhield nauwe contacten met de rijkswacht. De controle over
de politionele opdracht van de organisatie berustte bij de
burgemeester.
In de praktijk verzekerde de Boerenwacht de
bewaking van het vee en de oogst door het uitrukken van
patrouilles: éénmaal in de voornacht (na 22 uur) en éénmaal in
de nanacht (voor 5 uur). Aanvankelijk enkel met een
controleboekje gewapend, volgden de patrouilles een door de
gemeenteoverste uitgestippelde weg. Tijdstip en traject van de
rondes veranderde frequent. Toen in het land verscheidene
wachters tijdens het patrouilleren werden gedood, kreeg de
Boerenwacht op veel plaatsen de beschikking over jachtgeweren.
Aanvankelijk bood de Boerenwacht voldoende bescherming, doch zij
bleek naar het einde van de bezetting toe niet opgewassen tegen
de georganiseerde criminaliteit. |
|
210. |
Armband 'Boerenwacht'. |
|
211. |
Enkele
opeisingsbevelen Opwijk. Met een verklaring van een werkgever
(voor een voltijdse job of ploegenwerk,..) of een briefje van
een dokter kon men wel zijn beurt laten overslaan. |
|
212. |
Uitnodiging voor een
vergadering van de Boerenwacht, zondag 14 november 1943 om 11u15 (na de hoogmis) in de St.-Pauluszaal Opwijk. |
|
213. |
Boek met dagelijkse dienstregeling
Winterwacht 1943-1944 Opwijk, van maandag 15 november '43 tot
vrijdag 31 maart '44. |
|
214. |
Geopend boek 'Boerenwacht-Rol
Opwijk'. Er waren 2 groepen. Groep
I
omvatte: sectie A (Nijverseel, Hoeksken,
't Luik), sectie B (Eeksken, Neerveldstraat), sectie C
(Broekstraat, Doortstraat, Nanovestraat) en sectie D (Dorp).
Groep II omvatte:
sectie A (achterste Droeshout, Kalkestraat, 't Rod), sectie B
(Waaienberg, Paddebroeken, voorste Droeshout, Langeveld, Hulst)
en sectie C (Mansteen, Klei, Broevink). |
|
215. |
Enkele 'Wachtbriefjes'
(Opwijk) met aanduiding van de wijk, dienst, uur en plaats van
vertrek, uur en plaats van de opeenvolgende hinderlagen en uur
en plaats van einde. |
|
'Het werk van den akker' |
|
216. |
Tuinbouw boven N-Z
verbinding Brussel. Fotovergroting. |
|
217. |
Op weg naar
volkstuintje. Fotovergroting. |
|
218. |
Bewerken van eigen
grasperk. Fotovergroting. |
|
219. |
Groentetuin voor
arbeiders N-Z verbinding. Fotovergroting. |
|
Opeising van dieren |
|
220. |
Tabel 'Gemeente
Opwijk. Opeisching van koebeesten op Vrijdag 28° Maart 1941'.
Het gaat om 1 beest bij 4 afzonderlijke
boeren, met een totaal gewicht van 1.687 kg. met een totale
waarde, bijkomende onkosten inbegrepen, van 11.456,35 fr. |
|
Smokkel
Vroegere baangasten, vinnige kleinhandelaars,
lepe en stoutmoedige kerels, vormden weldra een wereldje apart.
Waarin men tot het einde van de oorlog van mekaar wist: waar, en
hoe en
tegen welke prijs, alles wat wél nog te krijgen
was zonder zegeltjes. Tarwe, rogge, wit brood, beste boter, vet,
lekkere biefstuk, een wollen pak, goede aardappelen, smakelijke
spek, suiker, kruidnagel, peper, sigaretten, tabak, chocolade,
een goed karabijn of revolver, noem maar op!
Die kerels hebben Brussel in leven gehouden, de
Duitsers véél moeilijkheden berokkend, véél geld verdiend (en
licht verteerd of verspeeld 'met de pas') en zijn soms ook
gulhartig geweest jegens onze armste medeburgers.
De meest
geraffineerde bergplaatsen (met valse muren en zoldertjes en
verafgelegen ondoordringbare bossen), sluikslachterijen met de
nodige mannen op wacht, smokkelwegen en smokkelmanieren werden
bedacht om uit handen van de bezetter en zijn controleurs te
blijven. Omgekeerd ook wensten de Duitse patrouilles en
Belgische controleurs de slachtvloeren in volle bedrijvigheid
niet te benaderen noch een smokkeltransport in de weg te lopen.
Werd een smokkelaar 'in 't groot' gepakt, dan kreeg die een zéér zware boete, de gevangenzetting werd met zwaar geld
afgekocht en de zaak floreerde verder.
Veel kleine mensen riskeerden ook wel eens een
smokkelaffaire naar Brussel, met enkele kilo's boter of vet of
tabak (die was soms wel van achter de schuur, met bietebladeren
en tabakstengels ingesneden, onbrandbare kwaliteit) of enkele
stukken zeep. Dit ging dan met de trein (als die reed) of met de
fiets tot Wemmei, indien men dan nog een tussenpersoon kende in
Brussel. Met die winst kon men het dan thuis, als alles goed
afgelopen was tenminste, weer enkele weken verder schoppen. |
|
221. |
Karikatuur (Zittende vrouw met twee
kinderen voor kraampje). Fotovergroting. |
|
222. |
Karikatuur (Man in keldergat. Mand
aardappelen en doos met sigaretten). Fotovergroting. |
|
223. |
Karikatuur (Man biedt brood aan).
Fotovergroting. |
|
224. |
Karikatuur (Smokkelaars opgepakt in
vrachtwagen). Fotovergroting. |
|
225. |
Vilvoorde. Kinderen met kruiwagen
wachten op de tram om de zwaarbeladen smokkelaars behulpzaam te
zijn. Fotovergroting. |
|
Winterhulp: een organisatie met een Duits
smaakje
Enkele maanden na de Duitse inval, kondigt de
eerste oorlogswinter zich aan. Door de ondermaatse oogst en de
gebrekkige voedselbevoorrading vreest de overheid dat de
bevolking honger zal lijden. Een mogelijk tekort aan warme
kleding en steenkool kan de toestand enkel maar verergeren.
Om
zich enigszins tegen het onheilspellend vooruitzicht te wapenen,
laten de Belgische gezagsdragers zich overhalen tot de
oprichting op 29 oktober 1940 van een liefdadige instelling naar
Duits model, met name Winterhulp. De Duitse militaire
overheid drong hier sterk op aan omdat een caritatieve
organisatie in haar politiek van 'Ruhe und Ordnung' kaderde.
Zij biedt immers enige waarborg voor een betere voeding van de
bevolking, wat het arbeidsritme positief kan beïnvloeden.
Ondanks bedenkingen van Belgische zijde, verschijnt het besluit
tot oprichting van Winterhulp in het Staatsblad van 1 november 1940. Zowel de structuur als de naam verwijzen naar de
Duitse zusterorganisatie WinterHilfe.
De drievoudige
opdracht van deze Belgische instelling bestond uit het verlenen
van materiële steun aan de behoeftigen, het inzamelen en
verdelen van de daartoe nodige middelen en het coördineren en
versterken van de werking van alle instellingen die hetzelfde
doel nastreefden. Er werd enkel steun in natura verleend:
bedeling van soep, melk, brood, steenkool, kleding, schoeisel,
het inrichten van goedkope spijshuizen en eenschotelkantines,...
De aanvankelijke reacties op Winterhulp zijn positief en tijdens
de winter 1940-'41 worden dagelijks 330.000 volkssoepen en
60.000 goedkope maaltijden verstrekt. Toch zorgt de Duitsgezinde
reputatie van Winterhulp voor wrevel, waardoor een groot aantal
ondersteunden afhaakt. Woordspelingen als 'Secours d'Hiver -
Secours d'Hitler' duiken steeds vaker op, maar toch beschouwt
het Duits-vijandige kamp Winterhulp niet unaniem als een
pro-Duitse organisatie.
Door de tanende belangstelling, verlegt
Winterhulp het zwaartepunt van haar werking naar de schoolgaande
jeugd. Begin 1941 worden de eerste 'schoolsoepen' bedeeld en
begint het lepeltje levertraan deel uit te maken van het
dagelijks leven van de schoolgaande jeugd.
Geleidelijk zou Winterhulp haar inspanningen ook
meer toespitsen op de hulp aan andere specifieke
bevolkingsgroepen, nl. zwangere of zogende vrouwen, (gewezen
krijgsgevangenen, politieke gevangenen en oudstrijders.
Geneeskundige hulp werd steeds belangrijker.
Op 3 oktober 1940 meldt het Opwijks
gemeentebestuur dat August Van Mulders (Heirbaan) aangesteld is
om de leiding te nemen in de gemeente voor het werk
'Winterhulp'.
Einde 1940 worden de bevoegdheden in het
plaatselijk comité 'Winterhulp' meegedeeld: Bestuur en
Secretariaat: Geeurickx, voorzitter en De Vos, secretaris.
Bevoorrading: Van Mulders. Uitdeling: September en Van Baelen.
Kleding: Moerenhout. Propaganda: Mevr. De Smedt-Coeckx, Juffr.
Lindemans, Buggenhout. Geneeskunde: dr. Markey. Inspectie en
controle: Berghman, Vermeir. Ondervoorzitter: Buggenhout.
Zetel: Marktstraat 155. Adres voor de briefwisseling: voorzitter
Louis Geeurickx, Singel 253.
Begin mei 1940 besloot het Opwijks
gemeentebestuur, in overeenstemming en met de medewerking van
het plaatselijk Comité van Winterhulp inschrijvingen te openen
en geldinzamelingen in te richten ten voordele van de
slachtoffers van de ontploffingsramp te Tessenderlo.
Een gezin uit de Nijverseelstraat diende een
aanvraag in om een weeskind van de ontploffingsramp eventueel
blijvend op te nemen. Er werd niet minder dan 26.046,20 fr.
ingezameld (ca. 500.000 fr. in koopkracht van nu). Dit is een
bewijs dat solidariteit in de oorlogsjaren, toen zovele
huisgezinnen pure armoede hadden, geen ijdel begrip was. |
|
226. |
Diverse posters
waarmee Winterhulp trachtte de broodnodige fondsen te
verzamelen. (Reproductie) |
|
227. |
Bewijs van storting van 608, 50 fr. aan Winterhulp Brussel, afgestempeld te Opwijk
op 31 januari 1941. |
|
228. |
Verklaring, dd. 27 februari 1941, van schatbewaarder August Van Mulders van
Winterhulp Opwijk, voor ontvangst van 2.944,75 frank van de
plaatselijke Commissie van Openbare Onderstand, met de nodige
detaillering. |
|
229. |
Verklaring, dd. 31 maart 1941, van (de nieuwe?) schatbewaarder Benoit Vermeir van
Winterhulp - Plaatselijk Comité Opwijk, voor ontvangst
van 4.199,90 frank van de plaatselijke Commissie van Openbare
Onderstand, 'voor terugvordering der afhoudingen over de maand
Maart 1941'. |
|
230. |
Verklaring, dd. 18 april 1941, van schatbewaarder Benoit Vermeir van Winterhulp
Opwijk, voor ontvangst van 1.076,40 frank van de
gemeenteontvanger Paul Verhaegen voor de plaatselijke C.O.O.,
'voor afrekeningen der afhoudingen der gesteunden van openbare
Onderstand'. |
|
231. |
Affiche voor de
Winterhulploterij. Sint-Maarten -symbool van
vrijgevigheid-
was een veel voorkomende figuur op de
Winterhulp-affiches. (Reproductie)
Bij haar oprichting einde
oktober 1940 verwerft Winterhulp het alleenrecht om loterijen te
organiseren. Half december 1940 gaan de 'Winterhulp'-geldtrommels
effectief aan het rollen. Of hoe men toch nog geluk kan hebben
tijdens de oorlog. |
|
232. |
Vergrote kopie van een
biljet van de Winterhulploterij, tweede schijf 1942. Een 'Het
Vijfde'-lotje kostte 10 fr. |
|
233. |
Aankondigingsbericht van een 'Grootsch Kunstfeest', ingericht door Winterhulp
Opwijk-Merchtem, op zondag 14 september 1941, op de
speelplaats van de meisjesschool, met als gastgroep de
Nationale Muziekkapel van België.
(Kopie) |
|
234. |
Luciferpakjes verkocht
te voordele van Winterhulp. |
|
235. |
Soepbedeling - Vrouw
bedekt haar gezicht. |
|
Winterhulp subsidieerde ook de uitdeling van
voedingswaren door het plaatselijk Nationaal Werk voor
Kinderwelzijn (Kinderheil) .
Winterhulp-Opwijk steunde met punten, bons,
kaarten en financiële giften het plaatselijk St.‑Vincentius-genootschap.
Deze verdeelde jaarlijks voor 1.000 fr. kolen, voor 2.000 fr.
kleren en beddegoed (vooral lakens en dekens), voor 5.000 tot
6.000 fr. baaikatoen voor lakens, vrouwen- en kinderhemden, en
voor duizenden franken breiwol aan de behoeftige gezinnen. Veel
aangekochte (en ontvangen) stoffen werden door de Christene
Moeders en door de Opwijkse Zusters met hun leerlingen van de
Familiale School verwerkt tot kousen en ander breiwerk, tot
hemden, en ondergoed, tot kleedjes, enz. Na de oorlog werd het
overschot voor de kostgangers en kinderen van het Gasthuis en
Wezenhuis gelaten.
In de jaren 1940-45 werden gemiddeld een 24-tal
gezinnen gesteund. Dit was merkelijk meer dan in de jaren
1917-'39. Na de oorlog daalde dit aantal terug opmerkelijk. |
|
236. |
Geopend kasboek van
het Opwijks Sint-Vincentiusgenootschap, met de ontvangsten en de
uitgaven gedurende het jaar 1942. Bij de ontvangsten zien wij
ook enkele geldelijke giften van Winterhulp. |
|
Het Rode Kruis
Terwijl de oorlog nog volop woedde, kreeg het
Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK)
op 9 november 1944 de Nobelprijs voor de Vrede
(de eerste die uitgereikt werd sinds 1939), als blijk van
erkenning voor de immense inspanningen die de organisatie
tijdens de oorlogsjaren had geleverd. Eén van haar belangrijkste
taken was de zorg voor de krijgsgevangenen. |
|
237. |
Affiche 'Roode Kruis
van België'. Deze affiche, een uitgave van het 'Roode Kruis
van België', maakt deel uit van een grootse campagne van de
Recreatieve en Instructieve Dienst om 'boeken en spelen' in te
zamelen om het lot van de krijgsgevangenen -zowel in Duitsland
als in België- te verlichten. (Reproductie) |
|
238. |
Affiche 'Votre
Croix-Rouge. Lutte contre la souffrance. Quinzaine du 23 Avril-7 Mai'. |
|
239. |
Rode-kruis affiche 'Pour
nos prisonniers. Semaine de la Croix Rouge de Belgique. 22-29 mars 1942'. |
|
240. |
'Het pakket van de
gevangenen. Ontvangbewijs van 5 fr. voor tusschenkomst in
onkosten van het verzenden van een familie pakket', 2 sept.
1943. |
|
Brandstofvoorziening
Door de grote behoeften van de oorlogsvoering was er voor de
bevolking snel een tekort aan brandstoffen. De bevoorrading met
steenkolen verminderde ook door een tekort aan geschoolde
werkkrachten en aan materialen. Voor huisbrand daalde niet
alleen de gerantsoeneerde hoeveelheid, maar ging ook de
kwaliteit sterk achteruit. Er ontstond een jacht op stookhout.
De gas- en electriciteitsproduktie daalde door het tekort aan
steenkolen.
De schaarse -vooral synthetisch vervaardigde
benzine
en olieproducten waren voorbehouden aan het leger. Vele auto's
en vrachtwagens werden omgebouwd met hout- en
steenkoolvergassers en voor het personenvervoer gebruikte men
opnieuw paard en kar maar vooral de fiets.
Het wagenpark van in
de jaren veertig is uiteraard niet te vergelijken met dat van
nu. Half aug. 1940 zouden er in Opwijk 67 wagen (personen-
en
vrachtwagens samen) gebold hebben. Maar zelfs om dit beperkt
aantal wagens van brandstof te voorzien, moesten heksentoeren
uitgehaald.
Bijkomende rijvergunningen waren uiteraard aan een
streng voorafgaand onderzoek onderworpen. Bestaande
rijvergunningen (voor de wagens, niet voor de bestuurder)
moesten geregeld hernieuwd. Elke wijziging vergde heel wat admistratieve rompslomp. Elke verplaatsing met de wagen zelf was
aan een strikte controle onderworpen.
Het Opwijks gemeentebestuur meldt op 13 augustus 1940 aan de
Union Pétrolière Beige dat er in Opwijk zijn:
- 20 personenauto's, waarvan 16 met- en 4 zonder
aanhangwagen. Voor deze 20 wagens is er per maand 2.575 l. benzine nodig.
- 47 camions en camionetten, bijna alle met groot
draagvermogen. Hiervoor is er per maand 23.050 l. benzine nodig.
Nog in verband met de brandstofvoorziening, meldt het
Opwijkse gemeentebestuur op 17 augustus 1940 aan de
Hoofdrijkslandbouwkundige van het Provinciaal Landbouwbureel,
dat er in de gemeente geen traktoren zijn, noch voor
dorsmachines, noch voor het bewerken van het land, rijden.
Wel 6 dorsmachines, waarvoor per dorsseizoen (ca. 100 dagen)
6.150 l. mazout, 900 l.
benzine en 490 l. olie nodig is.
Naast een vaste motor in een maalderij, waarvoor jaarlijks
18.000 l. mazout en
400 l. olie nodig is. |
|
241. |
Gemeentelijke boeken
Opwijk Motorbrandstoflevering 5-9-1940 - 7-11-1940,
19-11-1940 - 17-2-1941 en 17-2-1941 - 30-10-1941. |
|
242. |
Dagboeken voor
motorbrandstofdienst en smeermiddelen, gemeente Opwijk, 3-11 -1941 - 28-7-1944 en 10-8-1944 - 27-8-1946. |
|
243. |
Verklaring, dd. 22 november 1941, van Dokter Emiel Markey (Opwijk) dat hij een
aanvraag ingediend heeft voor een supplement brandstof, omdat de
toegekende hoeveelheid niet voldoende was om verplaatsingen naar
de kliniek te doen. |
|
244. |
Verklaringen van
Dokter Frans Van Ransbeeck (Opwijk), dd. november en december
1941, dat hij diverse zieken vervoerd heeft naar de kliniek van
Aalst, Dendermonde, Asse, Anderlecht. Hij rekende ongetwijfeld
ook op een supplement aan brandstof. |
|
245. |
Verklaring, dd. 29 november 1941, van GO.O. van Wolvertem dat de aannemer Heyvaert
(Klei-Opwijk), benzine nodig heeft voor de werking van de
betonmolen bij de bouw van de Godshuisgebouwen. |
|
246. |
Uittreksel uit het
Belgisch Staatsblad der ministeriële besluiten en andere
besluiten der Secretarissen-Generaal van 22 maart
1942, betreffende 'Distributie van
smeermiddelen voor met vloeibare brandstof aangedreven motoren'. |
|
247. |
Inlichtingen voor
het opmaken van de lijst met voorstellen voor
motorbrandstoffendistributie, respectievelijk voor de
maanden mei, juni en augustus 1942, opgesteld door de gemeente
Opwijk. Er waren dus blijkbaar max. 35 mensen -meestal
handelaren- die in aanmerking kwamen om brandstof te bekomen.
Bemerk ook de cijfers van de gemeentekwota voor augustus (voor
de 35 gegadigden): 1.225 l.
benzine, 360 liter gasolie, niets van hout en
7.500 kg. kolen (antraciet). |
|
248. |
Ingevuld formulier'
Verandering in de cliënteele van den kleinhandelaar.
Steenkolen', exemplaar bestemd voor 'den Gemeentedienst voor de
Bevoorrading en de Rantsoenering', maand februari 1942 (met
uitbreiding tot april en oktober '42. Kleinhandelaar: Louis Saerens, Klei Opwijk. Het gaat hier over klanten van Merchtem. |
|
249. |
Verkeerstoelatingen
'geldig voor één vervoer', afgeleverd door 'Vervoer-direktie-Fahrbereitschaft
van het Arrondissement Brussel - Hulpvervoerbureel Merchtem',
respectievelijk aan Jozef Vanderstappen (5 juni '42) en Victor
Bormans (16 juni '42) beiden van Opwijk. Het betreft hier
blijkbaar industrieel vervoer. |
|
250. |
Bandenkaart voor de
vrachtwagen 'Ford' voor fruit- en kolenvervoer van Petrus De
Ridder (Steenweg op Merchtem), afgeleverd op 27 september 1945 door de 'Centrale voor scheikundige producten. Afdeeling :
«Rubber & Asbest». De ingeschreven 5 aanvragen voor telkens
1 band (verdeeld over 4 merken) dateren alle van 11 sept. '45. Het
gaat om vervangingsbanden omdat de oude banden gescheurd zijn of
buiten dienst gesteld zijn wegens normale slijtage. |
|
251. |
Attesten van
neerlegging van het controleboekje 'met het oog op het bekomen
van brandstof', afgeleverd door het 'Hulpvervoerbureel Merchtem'
van de 'Vervoerdirektie voor het Arrondissement Brussel', aan de
Opwijkse vrachtvoerders Van Mulders (16-8 tot 22-8-'41, Rottiers
(30-8 tot 3-9 '41) en P. De Ridder (15-5 tot 20- 5-'42) en aan
de brouwerij De Smedt (16-4 tot 20-4-'42. Ondertussen moesten de
verplaatsingen ingeschreven worden op de keerzijde van dit
formulier en later overgeschreven in het terug afgeleverde
controleboekje. |
|
252. |
Brieven,
respectievelijk dd. 19 en 22 aug. 1941, van de 'Vervoerdirektie
Arrondissement Brussel' aan het 'Vervoerbureel Merchtem', met
terugzending van het controleboekje van enkele Opwijkse
vrachtvoerders, met vermelding voor elk van hen van de
hoeveelheid toegestane benzine als toelage voor de
overeenkomende maand. |
|
253. |
Wilde houthakkerij
vlak bij St.‑Goedele Brussel. Fotovergroting. |
|
Schaarste aan andere verbruiksgoederen
Door de geallieerde blokkade kwamen van buiten
Europa geen grondstoffen meer ingevoerd worden. Daardoor was er
schaarste aan textielproducten (vooral katoen) en moest men meer
en meer kleding hergebruiken.
Ook palmolie en rubber kwamen het
land niet meer binnen zodat nieuwe zeep, wasmiddelen, banden en
schoenen schaars werden. Synthetische producten en leder gingen
in de eerste plaats naar het leger. Voor de oorlogvoering eiste
het leger de non-ferrometalen op. Voor vele grondstoffen werd
recyclage de voornaamste bron. |
|
254. |
Ketellapper.
Fotovergroting. |
|
255. |
Bij gebrek aan leder
worden houten blokzolen op de schoenen genaaid. Fotovergroting. |
|
256. |
Volk en Staat
van zondag 16 en maandag 17 november 1941, met het centraal
artikel 'De inlevering van non-ferro metalen - Een beroep op de
bevolking van secretaris-generaal Viktor Leemans'. (Reproductie) |
|
257. |
3-talige affiche -Duits-Frans-Nederlands-'AVIS-BERICHT',
uitgaande van het provinciebestuur van Brabant, dd. 15 december
1941, met het Duits bevel tot 'Inlevering van Gummibanden voor
rijtuigen'. De in beslag genomen gummibanden (binnenbanden,
velgbanden en gummibanden inbegrepen) moesten zonder verdere
opvordering ten laatste tegen 20 december 1941 tegen
ontvangstbewijs bij de daartoe aangeduide inleveringsburelen
ingeleverd worden. |
|
258. |
Lijst gemeente Opwijk 'Bedeeling van dweilen - Distribution de torchons', van
11 november tot 2 december '43, voor 43 dweilen. De lijst bevat
nauwgezet de datum van afgifte van de coupon, de naam en adres
van de verbruiker (gezinshoofd), het nr. van de
ransoeneringskaart en de handtekening voor ontvangst. |
|
De papierschaartse tijdens de oorlog was enorm.
Dit had natuurlijk ook gevolgen voor de publicatie van de
dagbladen. De papierschaarste werd door de Duitse bezetter ook
gebruikt als chantagemiddel om de pers naar zijn hand te zetten.
Zo moesten op het einde van de oorlog De Gentenaar en
Het Nieuws van den Dag hun publicatie staken omdat er
volgens de bezetter onvoldoende papier voorhanden was. |
|
259. |
Affiche 'Geef ons oud
papier, oud papier geeft ons 62.000 arbeiders met vrouw en gezin
werk en brood'. De papierschaarste tijdens en kort na de
oorlog was enorm. Vaak beschikten de kranten slechts over vier
kleine pagina's om het nieuws te brengen. Sommige kranten
moesten het zelfs stellen met 2 paginaatjes. |
|
260. |
Verklaring van de
fabrieksdirecteur van de S.A. Manta (Waasmunster en Heirbaan
Opwijk), dat Louis Maervoet van Merchtem regelmatig in de
fabriek in Opwijk werkzaam was sinds 1934 en dat hij verlangt
een paar werkschoenen te bekomen. Deze aanvraag illustreert het
nijpend tekort aan lederproducten en de strenge rantsoenering er
op. |
|
Terugwinning van afvalstoffen
In maart 1941 werd er te Opwijk een plaatselijk
comité samengesteld 'met het oog op de terugwinning van
afvalstoffen'. Maakten hiervan deel uit:
- voor het onderwijs: Oscar Mertens en Eugeen
Van den Broeck (officieel onderwijs) en Jan Vermeir en Julia
Moens (vrij onderwijs)
- voor de gemeentelijke wegenis: Jan Vermeiren
- voor de handelaars: Theophiel Van Gucht
- voor de lokale nijverheden: Jozef Heyvaert en
Michel Picqueur
Op 1 augustus 1941 waren er in Opwijk drie
personen die het beroep van afvalinzamelaar uitoefenden:
Theofiel Van Gucht (Nijverseel), Edward De
Meersman (Nieuwbaan) en Petrus Van de Voorde (Nijverseel). |
|
261. |
Man controleert
vuilnisbakken op recupereerbaar afval. Fotovergroting. |
|
262. |
Ophalen van oud
papier. Fotovergroting. |
|
263. |
Campagne recuperatie
papier. Fotovergroting. |
|
Een huishouden beredderen in oorlogstijd:
profijtig zijn en zijn plan trekken
Wat met de rantsoenzegeltjes te krijgen was,
leidde zéker tot ondervoeding en bittere armoede. Dus trok men
op zoek naar lapmiddelen... en of die gevonden werden!
Iedereen leerde spitten, planten en zaaien.
Grasperken en lapjes braakgrond werden groentetuintjes, enkele
roeden aardappelen en een paar rijen tabakplanten.
Omtrent die gelegenheidstuiniers bestaan
tientallen koddige anekdoten. Wie aan afvalstoffen geraakte
maakte er dure huishoudzeep van. Van enkele kilo's suikerriet
kon men lekkere stroop maken. Afvalaardappelen werden geraspt en
leverden aardappelbloem.
Iedereen leerde terug havermoutpap
eten. Bij erg botertekort werd appelcompote of zelfs spinazie op
de boterham gesmeerd. Gebrande gerst verving de peperdure
koffieboon. De moeders leerden aardappeltaart bakken, en
allerlei haringrecepten bereiden. Met aardappelschillen en een klutske zemelen (het overschot van het pakske tarwe dat men
verdoken weg bij de mulder had laten malen) werden op verdoken
plaatsjes varkens en konijnen gefokt. De vaders leerden klompen
en schoenen repareren met stukken versleten fietsband.
Molenaars, tabaksnijders, klompenmakers, boerenslachters,...
werden terug winstgevende beroepen. Fietsbanden werden peperduur
en onze rijwielmakers leerden de fietsbanden vulcaniseren.
Dekens werden geverfd en tot mantels verwerkt. Een oude
versleten pardessus werd losgemaakt en omgekeerd verwerkt tot
een sportvest. Al de bomen langs de Steenweg op Dendermonde
verdwenen de een na de andere in de kachels tussen de spriet en
de slam. De bosjes waarvan de eigenaar buiten Opwijk woonde,
werden leeggeplunderd. Het arenlezen en gerooide aardappelvelden
nog eens napluizen, kwamen weer in voege.
Tot in Kapelle-op-den-Bos trok men kooltjes
ziften op een oude, grote stortplaats ergens langsheen de vaart. De gelukkigen die een kennis
-stoker op de lijn Brussel-Dendermonde of op Leireken- hadden,
kregen soms langsheen de spoorwegberm enkele briketten
toegeworpen.
Aan onze 'weeldemaatschappij' van tegenwoordig,
waar er géén bezuinigen of besparen meer in te krijgen is, hoort
men soms nog een harde leertijd zoals toen aanprijzen. |
|
264. |
'Nieuw Kookboek 1942.
320 onuitgegeven recepten aangepast aan den huidigen tijd',
uitgegeven door 'Ecopubli' n.v. Brussel. |
|
265. |
'Nieuw praktisch
handboek 1942. 400 hedendaagsche handelwijzen voor het bewaren
van alle eetwaren', uitgegeven door 'Ecopubli' n.v. Brussel. |
|
266. |
'Ons
oorlogskookboekje. Raadgevingen en recepten voor dezen tijd
betreffende...', door Gaston Clément, uitgegeven door de
Nationale Commissie voor Economische Uitbreiding. Dateert
waarschijnlijk van direct na de bevrijding. |
|
267. |
Modetips: |
|
|
- |
'Uit restantjes' |
|
|
- |
'Wat maak ik met mijn oude
blouse?'. Fotovergroting. |
|
|
- |
Modetips 'Maak dit praktisch
japonnetje uit een oude mantel'. Fotovergroting. |
|
268. |
Krantenpubliciteit 'Garantol
conserveert eieren meer dan één jaar'. Fotovergroting. |
|
269. |
ffiche 'Weest
vooruitziend', Provincie Brabant. Fotovergroting. |
|
270. |
Krantenpubliciteit '1 jaar damesschoenen'. |
|
271. |
Blokzolen op de
schoenen spijkeren. Fotovergroting. |
|
272. |
Opengeslagen
bladzijden van De Vrouw van 26 november 1943, een
'vrouwenmagazine' uit de oorlogsjaren. Deze editie biedt zowat
alles wat toen voor de vrouw -én de huismoeder- als interessant
werd beschouwd: allerlei raadgevingen uit de huis-, tuin- en
keukensfeer, tips inzake breien en kledij, een keukenpraatje en
zowaar een kort verhaal: 'De pantoffelheld'. (Reproductie) |
|
273. |
Brochure 'Huwelijk en
Huishouden. De jeugdzonde', uitgegeven door Zedenadel
- Bond voor Openbare Zedelijkheid, 1943. |
|
274. |
Enkele stukken
'ersatz'-oorlogszeep. |
|
275. |
Huishoudelijk
kooktoestel in gietijzer Lampe Belge,
op petroleum |
|
Publicaties van de Boerinnenbond (Leuven) voor
de plaatselijke Vrouwengildeleden
Het bondstijdschrift 'De Boerin' verscheen nog
in 1940. Daarna liep de werking van de Boerinnenbond enkele
weken in het honderd. In juli '40 verscheen een brochure met
praktische inlichtingen die toegestuurd werd aan alle
wijkmeesteressen. Van augustus 1940 tot maart 1942 kregen de
leden opnieuw maandelijks een nummertje van het tijdschrift in
de brievenbus. Daarna werd het blad vervangen door brochuurtjes,
één per trimester, vol nuttige tips voor spaarzame moeders,
huishouden in oorlogstijd, rantsoenering, gezondheid, woning en
tuin,... 'De Boerin' verscheen weer korte tijd na de bevrijding,
zij het -wegens de papierschaarste- nog op
klein formaat. |
|
276. |
Enkele nummers van de
bijzondere info-brochures uitgegeven door de Boerinne-bond
(Leuven) voor de leden van de Vrouwengilden: 'Praktische Wenken'
(april 1942), 'Groenten en Fruit. Inmaken en bewaren' (juli
1942), 'Gezond Boeren-volk' (februari 1943), 'Gezond Leven!'
(februari 1944). |
|
Dagdagelijks leven - varia |
|
277. |
Beelden die oudere
Opwijkenaren wellicht nog erkennen: binnenzichten van de
apotheek Meeussen in de Heirbaan, met apotheker Paul Meeussen en
de oudste zoon Emiel, 1941. |
|
278. |
Radiotoestel, Philips,
1939-'40. |
|
279. |
Fototoestel
Zeiss-lkon, 6x9 met balg, draadontspanner, tijdinstelling,
statief. Jaren '30. |
|
280. |
Papieren ersatz-(verpakkingskoor-den)koorden,
waarvan sommige met middenin een ijzerdraadje ter versteviging. |
|
281. |
Huishoudelijk
telefoontoestel Bell van tijdens de oorlogsjaren. |
|
282. |
Bureellampje op
petroleum van tijdens de oorlog. |
|
283. |
Wie dacht dat er onder
de oorlog geen belasting diende betaald te worden!
Enkele
documenten betreffende gemeentelijke belasting (Opwijk) voor de
periode 1940-'44. |
|
284. |
Uittreksel uit het
register der beraadslagingen van de Gemeenteraad van Opwijk van
9 juli 1942. De gemeenteraad besliste 'met het oog op het
handhaven der orde in de gemeente en het voorkomen van
diefstallen...' vanaf 1 augustus '42 een uitgangsverbod tussen
23u30 en 5 uur in te voeren. |
|
Geld |
|
285. |
Belgisch geld, enkele
muntstukken maar vooral bankbriefjes, gebruikt tijdens de oorlog
(maar dus gedrukt vóór de oorlog), van onmiddellijk na de oorlog
(gedrukt in Londen - zie 'Plan Gutt') en verder van na de
oorlog. Op sommige biljetten staat de tegenwaarde in Belga's
vermeld. |
|
De 'Belga' was van 1926 tot 1945 de officiële
Belgische rekenmunt, met een waarde van 5 frank. Op de munten en
biljetten werd de waarde zowel in frank als in 'Belga'
aangeduid. De invoering van de 'zware' Belga was geen succes.
Het gebruik beperkte zich vooral tot de wisselmarkten. In 1945 werd de 'Belga' afgeschaft. |
|
De tewerkstelling
In de jaren 1942, '43 en '44 was er in feite
geen officiële werkloosheid in België. Mensen die niet werkten
werden beschouwd als asociaal en werden verplicht aan het werk
gezet. Deed je dat niet, dan kreeg je als werkloze niet langer
financiële hulp van de toenmalige C.O.O.'s. Je kan het een soort
klusjesdienst avant la lettre noemen.
De vrijwillige tewerkstelling
Het oorlogsgebeuren had de Belgische economie
totaal ontwricht. Fabrieken waren vernietigd, transportmiddelen
onbruikbaar. Vooral in de eerste maanden van de oorlog was er
een enorme werkloosheid. In Duitsland daarentegen draaide de
oorlogsindustrie op volle toeren en had men nood aan arbeiders.
Het merendeel van de Duitse mannen was onder de wapens en zelfs
na het inzetten van een massa vrouwen kwam de industrie handen
te kort. De bezetter deed dan ook al het mogelijke om Belgische
arbeiders naar Duitsland te lokken.
Al van in het begin van de oorlog waren er
arbeiders die vrijwillig gingen werken in het land van de
bezetter. Zij geloofden in de Nieuwe Orde of zij deden het
omwille van de beloofde gunstige voorwaarden. Volgens de
officiële
cijfers van de Militarverwaltung ging het om
320.000 Belgen, maar algemeen wordt aanvaard dat de groep heel
wat kleiner was: ongeveer 130.000 Belgen.
Toen de Duitse bezetter het steeds moeilijker
kreeg aan de verscheidene fronten, moesten steeds meer Belgen
verplicht aan het werk in België en Duitsland. Zij moesten de
productie van haperende oorlogsindustrie helpen opvoeren.
De verplichte tewerkstelling
In maart 1942 lanceerde men het plan om
Belgische arbeiders verplicht naar de Duitse fabrieken te
sturen. Uiteindelijk zou de 'gehate verordening' van 6 oktober
1942 van de verplichte tewerkstelling in Duitsland een feit
maken. Vanaf dan konden alle mannen van 18 tot 50 jaar en alle
vrouwen van 21 tot 35 jaar verplicht worden in Duitsland te gaan
werken. Na luid protest, lieten de Duitsers de maatregel in
maart '43 vallen voor de vrouwen.
De Nazi's stuurden zo tienduizenden Belgen naar
Duitsland, waar ze in vaak onmenselijke omstandigheden in de
oorlogsindustrie aan de slag moesten.
Vanaf 6 maart '42 moesten ook in de Belgische
industrie jonge mannen verplicht aan de slag. De bezetter
controleerde de personeelslasten in fabrieken en arbeiders die
er niet echt nodig waren, moesten in de oorlogsindustrie de
productie verhogen. Dat gold ook voor studenten die een
werkstage van zes maanden moesten doen in Belgische fabrieken.
In de loop van de oorlog waren er voor de periode augustus 1940 tot 31 oktober 1942 224.300 vrijwillig tewerkgestelden en
189.542 verplicht tewerkgestelden voor de tijdspanne van 1 november 1942 tot 31 juli 1944.
Vele duizenden werkweigeraars
doken van hun kant in de illegaliteit en versterkten het Verzet,
dat hun dan ook een zekere opvang kon bezorgen met onderdak en
eten (zij waren immers uitgesloten van een rantsoeneringskaart-
en zegeltjes). Deze beschikbare jonge mannen hadden er iets voor
over om uit de klauwen van de bezetter te blijven.
Niemand voelde zich nog veilig en zowel
arbeiders als welstellende burgers ontkwamen niet aan de greep
van de Werbestellen, die, op bevel van Sauckel, de 'gevolmachtigde voor de arbeid', steeds grotere contingenten
moesten rekruteren.
Werkweigeraars, ondergedoken en het Verzet... Er
ontstond een nooit geziene golf van samenwerking en solidariteit
in alle geledingen van de
Belgische
maatschappij, wat er de taak van de bezetter niet op
vergemakkelijkte.
De verplichte tewerkstelling in België en
Duitsland was tijdens de oorlogsjaren helemaal in handen van
VNV'er Frits Jan Hendricks, de bestuurder van de
Rijksarbeidsdienst. Hij rapporteerde rechtstreeks aan de Duitse
bezetter.
De dienst werkte aanvankelijk met personeelslijsten
van bedrijven om bijvoorbeeld alle vrijgezellen op te sporen,
maar dat was allesbehalve een succes. De lijsten werden
vernietigd of vervalst.
Als gevolg van de sabotage ging de
Werbestelle of Duitse rekruteringsdienst te rade op het
gemeentehuis, in de boeken van de Burgerlijke Stand. Maar veel
gemeentebesturen en -ambtenaren werkten tegen en de registers
vielen niet altijd ongeschonden in handen van de bezetter.
Daarna riep de bezetter volledige jaarklassen op. De verplicht
tewerkgestelden moesten eerst naar een verzamelplaats in Aken en
vandaar naar kampen in Berlijn, Dresden of Maagdenburg waar de
lokale werkgevers de nodige arbeiders kwamen kiezen.
Duizenden weigerden gevolg te geven aan de
oproepingsbevelen en doken onder bij landbouwers of
familieleden. De bezetter organiseerde wel razzia's naar de
werkweigeraars. Dat gebeurde door de beruchte
Zivilfahndungsdienst, die bijvoorbeeld heel wat ondergedoken
arbeiders trof tussen de supporters bij zondagse
voetbalwedstrijden.
Na de bevrijding keerden niet alle verplicht
tewerkgestelden terug naar huis. Het Nationaal Instituut voor de
Statistiek rapporteert dat ongeveer 4.000 Belgen in Duitsland
stierven en nog eens 2.000 Belgen die er vrijwillig gingen
werken. Veel slachtoffers stierven bij de geallieerde
bombardementen op de Duitse industrie of kwamen om van ontbering
en ziekte. Tussen augustus '43 en juni '44 stuurde de Duitse
overheid telkens een overlijdenstelegram naar de achtergebleven
familie in België. Analyse van deze telegrams leerde dat er in
die periode 1.225 Belgische werknemers stierven in Duitsland.
465 kwamen om door bombardementen, 143 na difterie en TBC, 119 door doding, 114 door werkongevallen en 105 na een hartziekte.
Ook Opwijk kende zijn 'vrijwillig'
tewerkgestelden. Vanaf 1941 kreeg de gemeente erg regelmatig
aanvragen voor een paspoort voor Duitsland binnen, hoofdzakelijk
van (jonge) mannen, maar ook van een aantal meisjes en vrouwen.
Zij lieten zich door mooie beloften verleiden en gingen naar
Duitsland werken, doch na hun eerste verlof keerden ze niet naar
Duitsland terug en ... doken onder. Enkelen kregen een opeisingsbevel, gaven er gevolg aan, doch ook dezen doken onder
na hun eerste
termijn in Duitsland.
Erg opmerkelijk is het aantal ziektemeldingen
van tewerkgestelden bij hun verlof in Opwijk. De meesten wilden
blijkbaar dus niet meer teruggaan. In de meeste gevallen stuurde
de gemeente deze ziekteverklaringen door aan de bezettende
overheid. In een aantal gevallen beklaagt de gemeente zich er
over bij de overheid, dat zij moet opdraaien voor het
onderhouden van vrouw en kinderen van tewerkgestelden waarvan er
geen loon meer opgestuurd wordt.
Vast staat dat de meerderheid van die arbeiders
vertrokken is, niet uit overtuiging, maar om de kost te
verdienen, voor zichzelf en voor hun gezin. De Belgische
arbeidsmarkt bood velen immers geen kans meer.
Van de opgeëisten voor verplichte tewerkstelling
negeerden velen hun opeisingsbevel en kwamen dus ook terecht op
de lijsten: 'Op te sporen personen - Huidig adres onbekend' van
de Feldgendarmerie. De vele huiszoekingen, opsporingsacties bij
dag en nacht, de pascontroles op kermissen, kaatsspel,
danszaal,... liepen voor de Feldgendarmen haast altijd op een
sisser uit. Alle Opwijkse ondergedokenen van toen, zijn nog die
families dankbaar, waar zij slaapgelegenheid kregen (met alle
risico's vandien). Wee dan diegenen die toch gesnapt werden! |
|
286. |
Werklozen verwijderen
onkruid tussen kasseien. Fotovergroting. |
|
287. |
Krantenpubliciteit
voor arbeid in Duitsland. Fotovergroting. |
|
288. |
Les Hommes au
Travail van 1 mei 1943, halfmaandelijks tijdschrift
(Brussel, verspreid in Duitsland, Frankrijk, België), waarin ook
een geïllustreerde rubriek 'Chez nos ouvriers en Allemagne' en
een artikel 'Huit jours chez les «Déportés»'. |
|
289. |
Duits pamflet 'Opeisching?
Neen!! Solidariteit!'. Men heeft het hierin over de 'nieuwe
dienstplichtverordening'. In het pamflet worden de (beloofde)
materiële, financiële en sociale voordelen in het geval van een
vrijwillige dienstplicht in Duitsland nog eens opgesomd, maar
wordt deze tewerkstelling in Duitsland ook voorgesteld als een
zaak van sociale solidariteit. Vandaar de slotslogan: 'Gaat naar
Duitschland, het land van het echte socialisme.' |
|
290. |
Door de Duitsers
uitgebrachte affiche waarop de arbeid in Duitsland zo mooi
voorgesteld wordt. Toch bleef het overgrote deel van de publieke
opinie steeds heftig gekant tegen de verplichte
tewerkstelling. (Reproductie) |
|
291. |
Duits pamflet 'Er is
arbeid voor allen., ook voor U!'. Met een gratis tombola en de
belofte van een dik loon, hoopte men dat velen de weg zouden
nemen naar één van de wervingsburelen waarvan de adressen
onderaan rechts vermeld zijn. |
|
292. |
Geallieerd pamflet
Nederlands/Frans 'Gij kunt de nederlaag van Duitschland
bespoedigen. Duitschland heeft niet genoeg menschen meer!',
vermoedelijk afgeworpen door R.A.F.-vliegtuigen, waarin
duidelijk en met aandrang opgeroepen wordt te weigeren te gaan
werken in Duitschland. |
|
293. |
Geïllustreerd
tweetalig strooibriefje 'Duitschland heeft niet genoeg menschen
meer. Waarom Duitschland gebrek heeft aan arbeidskrachten. Voor
de mof te werken verlengt uw lijdensweg', waarschijnlijk door
R.A.F.-vliegtuigen uitgestrooid. |
|
294. |
Valse
identiteitskaart, afgeleverd op 11 juni 1941 door de stad Luik,
op naam van een zekere Henri Cox (waarschijnlijk een persoon die
reeds overleden was), toebehorend aan Opwijkenaar Remi
Vas-tenavondt (Coenstraat) - zie foto op de kaart. Remi
Vastenavondt (ongehuwd) verbleef, om niet opgenomen te worden
door de Duitsers, gedurende ca. 2 jaar in de Ardennen, waar hij
officieel werkte in de Cockerill-fabrieken te Seraing (zie cat. nr. 295), maar in werkelijkheid op het platteland bij een boer
werkte en verbleef. |
|
295. |
Tewerkstellingskaart
-tweetalig Frans-Duits- waarbij de maatschappij John Cockerill (wapenf
abri kant) te Seraing verklaart dat de zekere Henri Cox deel
uitmaakt van haar personeel. Met deze kaart en met de valse
identiteitskaart (cat. 294) kon Remi Vastenavondt ontsnappen aan
opeising om verplicht in Duitsland te gaan werken. Op de
buitenzijde van het document staat 'La présente
attestation est remise au titulaire pour lui permettre de
justifier ïemploi qu'il occupe, conformément aux stipulations du
para-graphe 4, du chap. 2, de l'ordonnance allemande du
6-10-1942'. |
|
296. |
'Letzte Vorladung'
(Laatste herinnering) dd. 12 mei 1943, aan Mazelaar Jan
Heu-ninckx, om zich op maandag 17 mei te
melden bij de Ober-Feldkommandantur (Brussel). De oproeping van
Jan bleek naderhand een 'administratieve' vergissing te zijn. |
|
297. |
Getuigschrift van
betrekking, van Leo De Nil (Mazenzele), uitgereikt op 21 augustus 1940. Leo was volgens deze kaart tewerkgesteld bij de
S.A. Meunerie (Molens) De Voghel, Industriekaai 153 te Brussel.
Hij moest minstens 48 uur per week in de onderneming te werk
gesteld zijn. Op de kaart ziet men de stempel en de paraaf tot
geldigheidsverlenging, respectievelijk tot 31 maart 1944 en 30 juni
1944. |
|
298. |
Werkbewijs,
uitgereikt aan Leo De Nil, door het organisme 'Dienstbetoon aan
Gezinnen door Oorlog geteisterd v.z.w.' dat 'werkt onder
toezicht en met subsidies van het Commissariaat Generaal van 's
Lands Wederopbouw en voor rekening van het Nationaal Steunfonds
voor Geteisterden'. Dit bewijs werd afgeleverd te Brussel op
22 juli 1944. |
|
299. |
Kaart van
werkweigeraar, verleend aan Leo De Nil, met datum 11 juli
1951. Bij Koninklijk Besluit nr. 560 van 20 december 1951,
wordt aan Leo De Nil de Medaille van Werkweigeraar verleend.
Brevet verleend door Minister van Wederopbouw en uittreksel uit
het Staatsblad van 7 februari 1952. |
|
300. |
Informatieblad voor de
arbeidskrachten die naar Duitsland trokken 'Mededeelin-gen voor
de arbeiders (arbeidsters) en kantoorbedienden uit België', in
drie talen (Duits, Nederlands, Frans), met gedetailleerde uitleg
over de bepalingen inzake deviezenverkeer en overschrijving van
loonspaargelden. Kredietbank richtte reeds in het begin van
augustus 1940 een afdeling 'Belgische werklieden in Duitsland'
in, om de geldoverschrijvingen naar België van landgenoten die
in Duitsland waren tewerkgesteld, uit te voeren. Van augustus
1940 tot 1941 (vrijwillige tewerkstelling) werden in dit verband
slechts gemiddeld 13.500 overschrijvingen per maand verwerkt.
In
de maand april 1943 (dus enkele maanden na de invoering van de
verplichte tewerkstelling in Duitsland) werden
reeds niet minder dan 119.000 weddeoverschrijvingen van
Duitsland naar België verwerkt, en dit aantal nam daarna nog
toe. |
|
301. |
'Lohn-Abrechnung'
(gedetailleerde loon-afrekening) voor de maand oktober 1943 van
een zekere Joseph Meert, met vermelding van het aantal gewerkte
uren en overuren, bruto en netto loon, de diverse afhoudingen,...
Hij was tewerkgesteld bij de papier- en cellulosefabriek
Feldmühle te
Heidenau. |
|
302. |
Vrijstellingsbewijs
voor tewerkstelling in Duitsland voor Jan Bieseman (Doortstraat),
gegeven te Brussel op 4 april 1944, geldig tot 30 sept. '44,. |
|
Opwijkenaren verplicht aan
't werk in Duitsland |
|
303. |
'Überweisungsschein Nr
1' (overschrijvingsbewijs) van Opwijkenaar Jan Phile-mon De Wael
(Eeksken), die van april 1943 tot mei 1945 verplicht
tewerkgesteld was in Duitsland, aanvankelijk in een
munitiefabriek in Göttingen en vanaf september 1944 in een
zoutmijn van Volprie-hausen. |
|
304. |
Een andere verplicht tewerkgestelde
in Duitsland was Mazelaar Pierre Huybandt. Wij zien hier van
hem: |
|
|
- |
verklaring van een dokter en van de Mazelse burgemeester dd. 10-4-'43., dat hij ernstige
gezondsproblemen kent (een poging om Pierre thuis te houden) |
|
|
-
|
reispas 'alleen voor Belgische
werklieden die in het buitenland gaan werken',afgeleverd door
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid op
24-25 juni 1943, geldig
voor 2 jaar. |
|
|
-
|
een schoenenherstelbon |
|
|
-
|
uittreksel uit verslagboek van de
Studiekring, die Pierre steunde, 13 maart '44. |
|
305. |
Leon Vlassenrood (°
Opwijk 9-12-1924) uit de Nanovestraat werd -amper 18 jaar
oud-opgepakt en verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Hij werd
er met een bombardement gedood Frankfurt a/Main op 5 november
1944. Van hem zien wij hier:
|
|
|
- |
een 'Arbeitskarte', uitgereikt te Frankfurt a/Main op 27 augustus 1943 |
|
|
- |
een 'Vorlaufiger Fremdenpass' (voorlopig
vreemdelingenpaspoort, voor het Duitse Rijk en België),
uitgereikt te Frankfurt a/Main op 3 februari 1944 |
|
|
- |
een 'Dienstausweis', afgeleverd te Ep-pelsheim op 14 oktober 1944 |
|
|
- |
een 'Brot-Sonderkarte', goed voor extra rantsoenen brood |
|
|
- |
het persoonlijk kerkboekje van L. Vlassenrood. De familie
schreef er later in: '1 mei 1945 is dat teruggekomen uit
Duitsland'. |
|
|
- |
persbericht 'Gedeporteerde ten grave gedragen te Opwijk' |
|
|
- |
een bidprentje |
|
|
- |
enkele brieven van en naar Léon,
1943-'44. Bemerk ook de briefomslag van België naar Duitsland
met de sluitband waarop gedrukt 'Geöffnet' |
|
|
- |
uitnodigingskaart vanwege de Provinciegouverneur aan de fam.
Vlassenrood voor een plechtigheid op 7 december .. op de
Nationale Schietbaan in Schaarbeek, ter herinnering van de
Belgen in Duitsland overleden en wier lijken gerepatrieerd
werden.
Kopie ter inzage |
|
Klokke nroof
Het weghalen van de klokken was geen nieuwigheid
met WO-H. In Opwijk bij voorbeeld en in gans het graafschap
Vlaanderen waartoe Opwijk in die tijd behoorde, gebeurde dit
reeds in het jaar 1578 op bevel van de Commissarissen van Gent.
Men had brons nodig om er kanonnen mee te gieten. In het laatste
kwartaal van de 17de eeuw was het gevaar voor klokkeroof door de
oorlogsvoerende partijen zo permanent aanwezig dat schier geen
jaar voorbij ging of de klokken moesten in aller haast uit de
toren gehaald worden om ze te verstoppen. Een klokke nroof
gebeurde ook tijdens de Franse periode, door de Sansculotten, op
het einde van de 18de eeuw. Toen werden uit de kerk van Opwijk
drie klokken weggehaald.
In 1914-'18 lieten de Duitsers de klokken in
onze bezette gebieden met rust.
Een klokkeroof deed zich wel voor de zoveelste
keer voor tijdens de tweede wereldoorlog. Reeds tijdens de maand
juli van het jaar 1941 had de Militarverwaltung bevolen een
inventaris op te maken van de klokken die zich in de kerken en
kapellen van ons land bevonden. In deze inventaris moest vermeld
worden of de klokken van brons, staal of aluminium waren.
Gewicht en ouderdom moesten eveneens worden opgegeven. Het
gemeentebestuur van Opwijk stuurde zo op 23 oogst
vier tabellen, één per kerk of kapel (dus ook
voor de kapel van 't klooster?), met de gevraagde gegevens van
de aanwezige klokken. Volgens de bezetter was er geen reden tot
paniek. Het ging slechts om een inventarisatie. Kardinaal Van
Roey zag de zaken somberder, en protesteerde met klem, echter
tevergeefs.
Op 30 oktober van het zelfde jaar ontving de
Kardinaal de mededeling dat de klokken in het Rijksgebied en in
de bezette gebieden door de Duitse legerleiding zouden in beslag
genomen worden. Werden (in principe) vrijgesteld van
inbeslagneming: één klok per parochie, de klokken die tot een klokke nspel behoorden en de klokken die een historische (klokken
van vóór 1730) of artistieke waarde hadden. Diezelfde avond
evenwel werd de inbeslagneming opgeschort, met het verzoek aan
de Kardinaal het bezoek van die ochtend te vergeten en het
overhandigde document geheim te houden.
Op 12 februari 1943 kwam
dan uit Berlijn het uitdrukkelijke en definitieve bevel dat
zonder verwijl tot de inbeslagneming zou worden overgegaan 'gezien de onomkeerbare noodwendigheden van de oorlog'. De
bezetter liet er geen gras over groeien. Gedurende de volgende
weken inspecteerden Duitse officieren de kerken en organiseerden
de klokke nroof. Maar ook Kardinaal van Roey liet zich niet
onbetuigd. In alle kerken van het land liet hij een brief
voorlezen, waarin hij samen met zijn collega's van het Belgisch
episcopaat, scherp protesteerde tegen de klokkenroof.
De
eigenlijke inbeslagneming van de klokken verliep in spoedtempo.
Op 15 december 1943 waren volgens de Duitse lijsten 2.820 Belgische klokken opgeëist, met een gezamenlijk gewicht van
2.390.649 kg. Eind juli 1944 waren het er 4.568 klokken, samen
goed voor 3.794.225 kg. Het snelle geallieerde offensief en het
gebrek aan vervoermiddelen verhinderden de Duitsers alle in
beslag
genomen klokken mee te nemen. Na de oorlog werden in
België nog 373 klokken teruggevonden, waarvan helaas geen enkele
Opwijkse of Mazelse.
De 4.568 klokken die door de Duitse
bezetter waren geconfisceerd zouden echter nooit tot wapens
worden gesmeed. Het personeel van de Cockerillfabriek in Hoboken
legde het Duitse bevel om de klokken te smelten halsstarrig
naast zich neer... |
|
306. |
Weghalen van de
klokken van de St.‑Goedele te Brussel, mei 1943. Fotovergroting. |
|
Klokkeroof in Opwijk en in Mazenzele
In het verslag van de Kerkfabriek van Mazenzele,
dd. 2 juli 1943 vinden we volgende zakelijke mededeling: 'Op
donderdag 1 juli 1943 werd uit den toren van Mazenzele de kleine
klok weggehaald.'.
Het is duidelijk dat de beroering omtrent
dit gebeuren wel minder zakelijk zal zijn geweest dan
bovenstaande regels. In een artikelenreeks, verschenen in 'Mazels
parochieleven' van 22 januari tot 15 april 1956, schreef Leo De
Nil dat honderden mensen in de toren klauterden om de klok nog
eens te gaan bekijken en dat, eenmaal de klok uit de toren
gehaald, ze door liefderijke handen met bloemen en linten werd
versierd.
Het moet er in Mazenzele echter, in vergelijking
met bv. Opwijk, toch nog vrij rustig aan toegegaan zijn. Broeder
Jan Ringoot, geboren Opwijkenaar ( † 20-3-1991), heeft in een van
zijn sappige verhalen de 'volksopstand' beschreven die met het
weghalen der drie Opwijkse klokken gepaard ging. Het weghalen te
Opwijk begon op de zaterdag van Opwijk Kermis, 26 juni 1943 door
aannemer Van Campenhout, enkele dagen eerder dus dan in
Mazenzele. De derde klok werd weggehaald op 29-6-43. Het verzet
was zo sterk, dat Duitse soldaten ter plaatse kwamen, enkele
aanhoudingen verrichtten, en uiteindelijk drie mensen opsloten
in de gevangenis van St.‑Gillis (Brussel), met name onderpastoor
Van Hemelrijck, Leo Meersman en André Semal. Zij werden na
enkele dagen vrij gelaten.
In het boek van de beraadslagingen
van de kerkfabriek van Sint-Paulus Opwijk noteert de secretaris
op de vergadering van 4 juli 1943: 'Allerlei besprekingen
komen ten berde, onder andere het wegnemen der klokken, de
hierbij veroorzaakte schade, de opname van het klokkengelui. Een
verslag dient opgemaakt van de veroorzaakte schade en ingezonden
naar het Bisdom. Mijnheer Stanislas De Smedt, architect, zal de
schatting doen en het verslag opmaken.'
Dat uit de kerk van Droeshout en van Nijverseel
geen klok gestolen werd is logisch: beide parochies hadden in
1941-'43 elk slechts 1 klok in hun toren hangen.
De verwijdering van de klok uit de toren van
Mazenzele gebeurde niet zonder schade. Pastoor Willems
(Mazenzele 1938-'54), noteert in het boven geciteerde verslag
van de Kerkfabriek dat hij 'met den heer De Coninck,
voorzitter van het kerkbureel, en den heer Bauwens, lid, de
toegebrachte schade (is) gaan bestatigen'. Zij stelden het
volgende vast:
'1° al den afbraak (steenen en planken) zijn
ter plaatse blijven liggen
2° het orgel werd gansch met stof overdekt en de
pijpen vol stof
3° een groote opening werd in het gewelf gemaakt
om de klok door te laten - en een deel plankenvloer opgebroken -
niets hersteld
4° een schutsel van het orgel werd verplaatst en
niet terug vastgemaakt.'
Beslist werd de schade voorlopig niet te
herstellen maar wel 'door stielmannen' te laten schatten.
Uit
het zelfde verslag vernemen we ook nog dat de ploegbaas, toen de
werklieden gingen vertrekken met de klok, aan de pastoor vroeg
'een bewijs te ondertekenen, verklarend dat er uit de kerk
niets
werd weggenomen en dat er bij het wegnemen der
klok geen schade werd aangebracht'.
Wat de pastoor weigerde.
In maart 1948 werd door de bevoegde overheid de
toelating gegeven de weggehaalde Mazelse klok te vervangen. Dit
gebeurde echter pas in 1951. De wijding ervan door de
Opwijkenaar Mgr. De Smedt vond plaats op 11 maart 1951. Op de
klok staat: 'Ter ere Gods in naam en voor het volk van
Mazenzele zing ik weer vrij het lied dat stom viel op 1-7-1943'.
Ook op de nieuwe klokken van Opwijk vinden we
een verwijzing naar de gebeurtenissen uit 1943. Op de St.‑Jozefsklok
staat: 'Ik kom in de plaats van die andere Jozef die de
Duitsers met geweld roofden in het jaar 1943'. Op de
Paulusklok: 'Van de patroon van deze kerk ben ik de bronzen
stem, die in 1943 door de vijand werd uitgedoofd'. Op de
Mariaklok, die in 1977 barstte en in 1979 werd vervangen, stond:
'In het jaar 1943 met geweld door de vijand geroofd terwijl
de gelovigen van Opwijk zich sterk verzetten'.
De drie nieuwe klokken werden -net als de nieuwe
Mazelse- gegoten door Michiels uit Doornik. Zij werden reeds op
25 juli 1948 gewijd door Mgr. Schoenmaeckers.
In samenwerking met de interministeriële
commissie voor het behoud van de klokken (opgericht met
goedkeuring en steun van Kardinaal Van Roey) legde de Belgische
Documentatiedienst van de Koninklijke Musea voor Kunst en
Geschiedenis een collectie foto's aan van de opgeëiste klokken.
De foto's werden opgenomen in het 'Fotorepertorium van het
meubilair van de Belgische bedehuizen, provincie Brabant, Kanton
Asse', door Denis Coekelberghs, Jaak Jansen en Wilfried
Janssens, een uitgave van het Ministerie van Nederlandse cultuur
-Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 1979. |
|
307. |
Aantekeningen van
details op de Mazelse klokken, die Jan Heuninckx en zijn broer
Maurits en Leo De Nil maakten bij de aanvang van de oorlog,
indachtig de klokkenroof in vorige oorlogen. |
|
308. |
Opstel 'Klokkeroof'
door Jan Ringoot in Ons Opwijk, uitgegeven door VTB-VAB
Opwijk in 1985. Jan Ringoot vertelt hierin ook dat die dag in
Opwijk een kindje werd gedoopt, Godelieve Bosman. In het
doopregister staat bij de vermelding van dit doopsel het
volgende opgetekend: '29.VI.43. Terwijl dit kindje zijn
intrede deed in de kerk door het doopsel, werd de groote klok
buitengebracht ten aanschouwen van de geloovigen die gekomen
waren om het lof bij te wonen op St.‑Petrus en Paulusdag, maar
het lof had geen plaats.' Ondertekend J. Van Hemelrijck,
onderpastoor, en L. Geeurickx, koster.
Kopie ter inzage |
|
309. |
Fotovergrotingen van
de gestolen klokken van Opwijk op een opslagplaats, 1943. Bemerk
de merktekens en de namen van Opwijkenaren op de klokken. |
|
310. |
Fotovergrotingen van
de gestolen klok van Mazenzele op een opslagplaats, 1943. |
|
311. |
De klokkeroof in
Mazenzele 1 juli 1943 Artikel door Jules Van de Velde in
HOM-tijdschrift 1993-2, p. 7-12. Kopie ter inzage |
|
Oorlogspropaganda
Duitse propaganda |
|
312. |
Brochure met de
Nederlandse tekst van de rede van Adolf Hitler op 4 september
1940 bij de opening van het winterhulp-werk 1940-'41. |
|
313. |
Duits spotpamflet
'Professor Isaak Pierlotski. Belgisch patriot'. |
|
314. |
Affiche 'Die Kinder
von Antwerpen'.
Uitgebracht na het moordend geallieerd
bombardement op Mortsel van 5 april 1943. (Reproductie) |
|
315. |
Affiche 'Het
doodenwoud van Katin'. (Reproductie). |
|
316. |
Affiche
anti-Groot-Britannië 'Das Scharze Korps'. |
|
317. |
Brochure met de
Nederlandse tekst van de rede 'De Kamp voor de Vrijmaking van
Europa' door 'den rijksminister van Buitenlandsche Zaken' op 26 november 1941. |
|
318. |
Brochure met de
nederlandse tekst van de rede van 'den Fuehrer en
Rijkskanselier' Adolf Hitler in de Duitse Rijksdag op 11 december 1941, over 'Franklin D. Roosevelt's schuld aan den
oorlog'. |
|
319. |
Signal,
half-maandelijks weekblad, 'Edition spéciale de la «Berliner
illustrierte Zeitung»', 1ste nummer april 1941. |
|
320. |
Enkele nummers van
'Stemmen uit Duitschland', 1941, '42 en '43. |
|
321. |
Geïllustreerde
brochure 'Wie wint den oorlog?', afgestemd op Nederlandstalig
België, waarin de Duitsers met hun visie en met statistieken en
kaart- en cijfergegevens over de toestand op de verschillende
fronten, de bevoorrading en de economie, trachten de lezer te
overtuigen dat Duitsland de oorlog zal winnen.
De brochure wordt
ingeleid met de tekst 'De kaarten, statistieken en cijfers,
vervat in deze brochure, geven den wereldtoestand op 31 Maart
1942 weer.
Sedertdien hebben zich reeds veel veranderingen
voorgedaan.
Maar deze veranderingen vinden hun verrechtvaardiging in den toestand van voor het begin der
offensieven.
Deze bladzijden doen U dus een uitleg aan de hand
van de gebeurtenissen van het jaar 1942.'
Of hoe er voor
alles een uitleg is...! |
|
322. |
In de geïllustreerde
folder 'Worden de Duitschers nerveus?', wordt getracht de lezer
de overtuigen van de Duitse militaire superioriteit en de
geringe slaagkansen van een geallieerde invasie, o.m. met
commentaar en foto's van de geallieerde landingspoging (of
-oefening?) bij Dieppe.
Bemerk de stempel van het 'Vlaamsch
Nationaal Verbond' (VNV). |
|
323. |
Geopend nummer van
Signal (F), 1ste nummer december 1943, waarin getracht wordt
de vergelijking van de Duitse situatie van 1918 met deze van
1943, te weerleggen. |
|
324. |
Duitse sticker
'30.000.000 de tonnes coulées', 1943. |
|
325. |
Duitse
propagandabrochure 'Laat U niets wijsmaken. Het Kommunisme? Zóó
slecht is dat niet!', verspreid begin 1944. |
|
326. |
Affiche 'Een verhaal
voor groote men-schen' of de Duitse verleiding. (Reproductie)
Deze SS-affiche werd verspreid in 1944. In een wat ongewone
stripverhaal-vorm wordt het verhaal verteld van een arme, slecht
behandelde Vlaamse arbeider die beslist naar Duitsland te gaan
werken, daar heel goed behandeld wordt, zich laat inlijven bij
de SS, triomfeert aan het Oostfront en terug thuiskomt bij zijn
gezonde, goed doorvoede en gelukkige familie. Een bevreemdend
wat naïef document, want toen deze affiche in 1944 verscheen,
probeerden de meeste op-geëisten op alle mogelijke manieren de
verplichte tewerkstelling te ontlopen en waren de
Duitsers door het Rode Leger al tot in Polen teruggeslagen. |
|
327. |
Geopende bladzijden
van een extra-nummer van Signal , 'Warum Deutschland nach
England schiesst', juni 1944 of later, waarin de Engelse en
Amerikaanse bombardementen op Duitse burgerlijke doelwitten
scherp aan de kaak gesteld worden. Moet dit blad een soort
rechtvaardiging van het gebruik van V-wapens tegen Engeland
voorstellen? |
|
328. |
Duitse anti-Amerika brochure 'U.S.A. De grootste democratie'. |
|
329. |
Geopende bladzijden
van het Duits propaganda-fotoboek 'Duitsche Jeugd'
(Nederlands), waarin ook een korte historiek en de organisatie
van de Hitler-Jugend en aanverwante organisaties, van Hildegard
Tapken, uitgeverij Steenlandt, Brussel. |
|
Geallieerde propaganda |
|
330. |
Pamflet 'Anglo-Amerikaansche
verklaring betreffende de Oorlogs Doelen', afgeworpen door
geallieerde vliegers, waarin de resultaten en de conclusies van
de bespreking tussen de Amerikaanse president Roosevelt en
Churchill op 14 augustus 1941 uitgelegd worden. Onderaan lezen
we 'Wat deze historische verklaring voor eiken Belg beduidt'. |
|
331. |
Exemplaar van 'Luftpost'
(Duitstalig), 15 juli 1941, afgeworpen door de Engelse RAF.
Bedoeld voor Duitsland, maar vele exemplaren kwamen boven België
terecht.
Bemerk de slogan rechtsboven 'Verboten überall, wo die
Wahrheit verboten ist'. Linksonder staan de golflengten en de
uren van de Duitstalige Engelse radio 'Londener Rundfunk'. |
|
332. |
Brits pamflet 'Portret
van een vriend der Belgen' - 'De jongens in de Britsche bommers
groeten U'. |
|
333. |
Enkele exemplaren van het weekblad
'L'Amérique en Guerre' ('apporté au peuple Belge
par l'Armée de l'Air Américaine'), 12 en 19 jan. '44. Er
bestond ook een 'Vlaamsche' uitgave. |
|
334. |
Enkele nummers van het
tweetalige weekblad 'De Regenboog'-'L'Arc en Ciel' ('aan het
Belgische Volk gebracht door de Luchtmacht der Vereenigde
Natieën'), februari, maart, juli '44 |
|
335. |
Enkele nummers van 'De
Vliegende Hollander', de Nederlandse versie van 'De Regenboog'
(7 en 10 mei '45). |
|
336. |
Pamflet 'Von der Maas
bis an die Memel...', in het Duits, vermoedelijk afgeworpen door
de Engelse luchtmacht RAF. Er wordt in verwezen naar de huidige
mogelijkheden van de geallieerde bombardementen in Duitsland
(keerzijde) en naar de invoering van het bevrijdings-V-teken.
Ten behoeve van de Franse, Italiaanse, Nederlandse (en Vlaamse)
en Poolse arbeiders in Duitsland wordt de symbolische betekenis
van het V-teken nog eens herhaald in hun eigen taal. |
|
337. |
Pamflet 'Ich fühle
mich so frisch. Es kommt der Frühling.' afgeworpen door de
Engelse luchtmacht RAF. Hierin wordt het Duitse volk
geconfronteert en herinnert aan bepaalde beloften en vroegere
uitspraken van hun leiders. |