HOM - Heemkundige bijdragen
Verschenen in het HOM-tijdschrift 1996-2/3, pag. 18-52.
Uittreksel uit tentoonstellingsgids '1938-'46. Een beroerde tijd', 2-11 september 1994.


VI. 1940-'44: ONDER DUITSE BEZETTING - deel 1

Nieuwe meesters, nieuwe wetten

148. nr. 1 van het 'Heeresgruppen-Verord-nungsblatt für die besetzten Gebiete', met bekendmakingen en verordeningen dd. 10 mei 1940 (dus de dag van de Duitse inval zelf), toepasselijk op de bevolking van het bezet gebied.

Deze publicaties, 'n soort alternatieve Staatsbladen, zijn drietalig Duits-Nederlands-Frans.

Kopie ter inzage

149. nr. 2 van 'Verordnungsblatt des Militarbe-fehlshabers in Belgien und Nordfrankreich für die besetzten Gebiete', dd. 17 juni 1940, met de klever 'Nr 1 van het Verordnungsblatt zal binnen kort verschijnen'.

Het nr. 1 van deze publicatie is het zelfde document als dat onder cat. nr. 148, maar heruitgegeven onder de naam 'Verordnungsblatt des Militarbefehlshabers in Belgien und ...'.

Kopie ter inzage

150. Diverse nummers van het 'Verordnungsblatt des Militarbefehlshabers in Belgien und ...', 1940 en '41.

Belgen en bezetters

Tijdens de eerste weken en maanden van de bezetting stond het overgrote deel van de Belgische bevolking neutraal en misschien zelfs een beetje welwillend tegenover de Duitsers, die ongetwijfeld een goede indruk gaven. Men had, zoals in de vorige oorlog, barbaarse Teutonen verwacht; nu werd men geconfronteerd met gemanierde, hulpvaardige en goedgehumeurde Duitse soldaten. Eigenaardig genoeg waren het deze keer de Britten en de Fransen die het moesten ontgelden. De meeste Belgen hadden hun garanten geestdriftig onthaald, maar al vlug waren ze door hun wandaden ontnuchterd. Ze maakten zich schuldig aan plunderingen, arbitraire aanhoudingen, onnodige vernielingen en plagerijen jegens de burgerbevolking (zie cat. 96 e.v.), waartegen de correcte houding van de Duitse troepen nogal schril afstak.

Na 28 mei kwam het land in handen van een militair bestuur. Aan het hoofd ervan stond generaal von Falkenhausen, bijgestaan door twee staven: de Kommandostab, voor militaire zaken en de Verwaltungsstab, onder de leiding van Reeder, die voor de bestuursaangelegenheden instond. Al van in het begin werd die Militarverwaltung geconfronteerd met het probleem van de werkloosheid. Niet minder dan een half miljoen personen moesten, vooral met het oog op het handhaven van rust en orde, zo spoedig mogelijk aan het werk gezet worden. Daartoe nam de bezetter zijn toevlucht tot twee maatregelen: enerzijds, de vrijwillige tewerkstelling in Duitsland en, anderzijds, werkverschaffing door de oprichting van het door secretaris-generaal Verwilghen geleide Commissariaat voor 's Lands Wederopbouw. In het dagdagelijkse leven probeerden de meeste Belgen, ondanks allerhande restricties, hun gewoontes te behouden en vonden ze steeds wel een middeltje om de strakke Duitse reglementering te omzeilen. De zomer 1940 verliep dus relatief probleemloos. Het was pas in het najaar, toen de ravitaillering stokte, met de honger als realiteit, dat men pas goed begon te ervaren wat oorlog en bezetting, ook nu weer, werkelijk betekenden.

De 'FeldcommandanturAsse' onder Ober-Feldwebel Klopfer controleert in onze streek de naleving van de Duitse 'Verördnungen'.

Radio België

Al van bij het begin van de bezetting vonden velen soelaas bij de BBC-uitzendingen. Groot was hun verrassing toe ze, op 28 september, tussen de Duitse stoorzenders door, op de golflengte van de BBC, de eerste uitzending van Radio België-Radio Belgique te horen kregen. De initiatiefnemer en latere uitvinder van het V-teken, Victor de Laveleye zorgde voor de presentatie van de Franstalige programma's. Aan Vlaamse kant nam Nand Geersens, alias 'Jan Moedwil', die taak op zich. Beiden brachten zij hoop en vertrouwen in een betere toekomst onder de Belgische bevolking, die vier donkere bezettingsjaren tegemoet ging.

151. Jan Moedwil (Nand Geersens): hartversterkende Vlaamse radiostem uit Londen. Fotovergroting.

De pers onder de bezetting: de politiek van het minste kwaad

Na de Duitse inval van 10 mei hadden de kranten geleidelijk hun publicatie gestaakt. Het sluiten van de krantenbedrijven was in de eerste plaats te wijten aan de algemene mobilisatie en de massale vlucht van journalisten en uitgevers naar Frankrijk. De Algemene Persbond had trouwens de journalisten ertoe aangezet in geval van een Duitse overheersing de 'pen te breken' en het land te verlaten. Een reeks dagbladen zoals (de met de Duitsers sympathiserende) Volk en Staat en De Dag konden evenmin verder verschijnen omdat hun uitgevers of redacteurs op 10 mei door de Belgische staatsveiligheid waren aangehouden (de overheid was van oordeel dat deze kranten het defaitisme onder de bevolking zouden aanwakkeren). Op 19 mei 1940, dus halfweg de periode van de 18-daagse veldtocht, verscheen er in België geen enkele krant meer.

Over heel het land troffen de Duitsers dan ook lege redactielokalen aan. Toch zijn ze er op merkwaardige wijze in geslaagd zeer vlug een aantal dagbladen in het bezette België te laten verschijnen.

Omdat het verwerven van controle op de media essentieel was voor het vestigen van hun 'nieuwe orde', wilden de Duitsers de Belgische journalisten zo snel mogelijk terug aan het werk krijgen. Nadat de bezetter ermee had gedreigd de kranten-persen in beslag te nemen besloten een aantal twijfelende uitgevers hun dagblad terug te verspreiden; ze vreesden immers dat hun kranten in handen zouden vallen van Duitsgezinde extremisten. De meeste uitgevers zouden de knoop pas definitief doorhakken na het raadplegen van een aantal vooraanstaande hoogwaardigheidsbekleders. Bovendien voelden ze zich in hun beslissing gesteund door Leopold III die de bevolking opriep om het werk te hervatten. In oktober 1940 verschenen reeds 24 dagbladen.

Het Algemeen Nieuws en Het Volk waren de eerste Vlaamse kranten die in bezet België zouden verschijnen.

'Wij hebben gemeend onze Vlaamsche menschen den troost en den steun van een eigen blad niet langer te mogen onthouden'. Met deze woorden verklaarden de redacteurs van Het Algemeen Nieuws waarom ze ook onder Duitse bezetting bleven werken.

Net zoals hun uitgevers kozen vele journalisten voor 'de politiek van het minste kwaad'. In totaal zou 1/4 van de journalisten hun activiteiten hervatten. Onder hen bevonden zich heel wat opportunisten en aanhangers van de 'nieuwe orde', die reeds voor de oorlog actief waren in antiparlementaire bewegingen. Andere journalisten hernamen hun werk uit financiële noodzaak. Sinds ze 'hun pen hadden gebroken' was er immers geen brood meer op tafel gekomen.

De pers aan banden

De kranten die verschenen konden dat enkel onder bepaalde voorwaarden. De illegale pers mocht onder geen beding verschijnen en de bezetter probeerde dat ook zo goed mogelijk te vermijden, al dan niet met medewerking van de plaatselijke besturen.

De Propaganda-Abteilung (PA) oefende absolute controle uit op de pers. Ze censureerde de inhoud van de kranten en eiste medezeggenschap in het beheer. De PA bepaalde of een krant mocht verschijnen of niet. Ze kon redacteuren aanstellen en ontslaan en zelfs de prijs van de krant en de lonen van de journalisten bepalen.

Om de controle op de media te vergemakkelijken vaardigde de PA een perswet uit waarbij elke krant die tijdens de bezetting wou verschijnen, eerst de toelating bij de PA moest aanvragen. Veel meer dan voorzien stroomden de aanvragen toe. Ongeveer de helft moest geweigerd worden. Het beperken van het aantal dagbladen tot 27 (tegen 65 titels voor de oorlog) en van het aantal periodieken tot 600 (2.500 voor de oorlog) werkte de centralisatie in de hand. Met medewerking van de PA werd de vroegere Algemene Belgische Persbond hervormd tot de Vereniging van Belgische Journalisten. Alhoewel journalisten niet verplicht waren zich hierbij aan te sluiten, bezat deze 'vereniging' een zekere machtspositie, namelijk het afleveren van perskaarten. Om de controle te vereenvoudigen over de oplage, verkoop en verspreiding van de kranten, gaf de PA het monopolie van de distributie aan het agentschap Dechenne. Tijdens de bezetting werden alle kranten verspreid via deze ene distributeur. Kranten die zich niet hielden aan de Duitse reglementen liepen het enorme risico om de volgende dag niet in de krantenwinkels te liggen.

De PA had ook nog een machtig indirect drukkingsmiddel: de verdeling van krantenpapier. Kranten die niet meegaand genoeg waren kregen slechts een zeer karig papierrantsoen. Dit betekende niet enkel redactioneel een catastrofe, maar het had ook repercussies op het reclameaanbod en dus op de financiële armslag. Zo moesten op het einde van de oorlog De Gentenaar, De Landwacht en Hef Nieuws van den Dag (17 mei '44) hun publicatie staken omdat, volgens de bezetter, onvoldoende papier voorhanden was.

De dagbladen die tijdens de bezetting van de pers kwamen, kunnen onderverdeeld worden in oude, nieuwe en gestolen bladen. In de categorie van oude kranten treft men twee uitersten aan. Vooreerst zijn er de officiële woordvoerders van collaborerende groepen. Zo was Volk en Staat de spreekbuis van het VNV en was Le Pays Réel het klankbord van Rex, de partij van Léon Degrelle. Daarnaast waren er bladen die zich afzijdig hielden van de collaborerende groepen en die zoveel mogelijk trachtten hun vooroorlogse traditie in stand te houden (Hef Nieuws van den Dag, De Dag, De Gentenaar-De Landwacht). De zogenaamde gestolen bladen zijn die kranten die tegen de wil van de eigenaars of beheerders opnieuw verschenen (Hef Laatste Nieuws, Vooruit, Le Soir). Maar ook hier is de situatie verwarrend omdat bepaalde van deze 'gestolen' bladen uiteindelijk toch in stilzwijgende of gedeeltelijke overeenkomst met de vooroorlogse beheerders verschenen. Voor wat de categorie van de 'nieuwe' dagbladen betreft, is er geen twijfel mogelijk; al de kranten gesticht tijdens de bezetting kwamen enkel in nauwe samenwerking met de Duitsers tot stand (Hef Vlaamsche Land - zie cat. 154, De Gazet).

Censuur of niet, tijdens de oorlog werden heel wat kranten gelezen. De toenmalige (gemiddelde) oplagen van de Vlaamse dagbladen geven een idee van de levendige krantenmarkt.

Het Laatste Nieuws: 200.000  
Het Algemeen Nieuws: 170.000  
De Gazet: 86.000  
Het Nieuws van den Dag: 70.000  
De Gentenaar-De Landwacht: 45.000  
Het Volk (tot eind okt. '40): 40.000  
Het Vlaamsche Land: 30.000  
Volk en Staat: 20.000  
Vooruit: 12.350  
De Toekomst: 4.500  

Volk en Staat

Dit Vlaams dagblad, in 1936 opgericht, was het orgaan van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) - zie 'Collaborerende verenigingen'. De aanvankelijke (radicale) hoofdredacteur H. Van Puymbrouck werd in 1938 vervangen door A. Mermans, terwijl Staf De Clerck het merendeel der aandelen in handen kreeg. In 1940 verdedigde de krant de neutraliteitspolitiek en ze nam in de eerste plaats een Vlaams standpunt in. Nadat Mermans op 10 mei 1940 was aangehouden, staakte Volk en Staat haar publicatie. Vanaf 13 juni, rolde de krant echter opnieuw van de pers. Volgens de PA was Volk en Staat -ondanks de eerder beperkte oplage- één van de doeltreffendste propagandakanalen in Vlaanderen.

Het blad verdween uiteraard in sept. 1944.

152. Het Volk van 28 mei 1940, eerste editie van onder de bezetting, alleen verspreid in Groot-Gent.

Alhoewel de beheerraad naar Frankrijk vluchtte, verscheen Het Volk op 28 mei voor het eerst terug in de krantenkiosk, dit op persoonlijk initiatief van één afgevaardigde beheerder: Verheeke.

In het artikel 'De Toestand' maakte Het Volk duidelijk dat de krant vooral praktische informatie zou geven: 'Als de toestand is zoals hij nu is, dan heeft een dagblad niet te beslissen over de wen-schelijkheid van 'zijn' of 'niet zijn' en dan weet de lezer ook dat hij er niet moet in zoeken wat zijn hartje lust, maar hij moet er in vinden alles wat hij moet weten om zijn leven in te richten naar de omstandigheden'.

Eind oktober 1940 besloot de teruggekeerde beheerraad de publicatie van de krant stop te zetten. Blijkbaar wilden de beheerders hun krant op geen enkele manier ter beschikking stellen van de bezetter.

Tot 1944 zouden de rotatieven van Het Volk stilstaan. Als gevolg daarvan had de krant na de bevrijding enige tijd nodig om de machines terug op gang te brengen. Pas op 18 dec. '44 kon Het Volk met haar eerste 'bevrijde' nummer uitpakken. (Reproductie)

153. Affiche publiciteit 'Algemeen Nieuws'. Fotovergroting.
154. Affiche publiciteit 'Het Vlaamsche Land'. Fotovergroting.

De Duitse soldaten bij ons

155.

 

Handboekje 'Mit offenen Augen durch Belgien', met praktische aardrijkskundige, geschiedkundige, culturele, toeristische,... informatie over België ten behoeve van de Duitse soldaat in ons land. Uitgegeven door 'der Propaganda Abteilung Belgien beim Militarbefehlshaber für Belgien und Nordfrankreich'.
156. Foto 'Duitse soldaten likken aan een ijsje voor het Klein Kasteeltje in Brussel'.
157. Duits officier geeft 'n bijdrage aan het Rode Kruis. Fotovergroting.
158. Duitse muziekkapel op Brouckèreplein te Brussel. Fotovergroting.
159. Een souveniertje kopen in het bezette Brussel. Fotovergroting.
160. Gedisciplineerde Duitse troepen. Parade op de Kouter te Gent. Fotovergroting.

Af en toe lagen in Opwijk ook voor enkele weken of maanden Duitse soldaten ingekwartierd bij burgers of in openbare gebouwen (zie cat. 167 e.v.). Handelaars dienden dan allerlei materiaal te leveren tot inrichting van de opgeëiste lokalen (de rekeningen dienden naar 't Gemeentebestuur gestuurd).

Zo hoorde men die dagen hier ook de Hitlergroet als een verafgoding van de Führer huilen als 'goedendag' wanneer een paar Duitsers mekaar tegenkwamen. Het gedreun van Duitse soldatenlaarzen op onze straten. De ijzeren tucht bij de Duitsers. Het sterke ritme van hun stapliederen. De schrik die er bij alle soldaten ingehamerd was om ook maar enige kritiek op het regime te uiten. De diepe vrees -zelfs tegenover een bevriende medesoldaat- hij zou eens een geheim agent kunnen zijn van de Gestapo, S.S. of Feldgendarmerie. Het hoorde er allemaal bij...

161. Wegwijzers, in 'Duitse kleuren' (geel/zwart), 'Mollem' en 'Dendermonde'.

Met het krijgsgeweld van de meidagen 1940 waren de meeste wegwijzers in onze dorpen, om militair-strategische redenen, verdwenen, beschadigd, van richting veranderd,...

De Duitse bezetter liet overal -ook voor hun gemak, in hun bezet- gebied nieuwe wegwijzers plaatsen, volgens hun normen: zwarte tekst op gele achtergrond. De Duitsers eisten ook de systematische plaatsing van straatnaamborden op de huisgevels én de nummering van de huizen. Dit vergemakkelijkte uiteraard ook hun controlewerk en hun speurtochten naar ondergedokenen,...

162. Wegwijzer 'Krankenverleilungsstelle in de Frontleistelle', die leidde naar het Brugmannziekenhuis (Laken) dat gedeeltelijk als Duits militair hospitaal ingericht was.
163. Wegwijzer 'UMGEHUNGS Ring Brussel', geplaatst in Merchtem-dorp.
164. Verkeersplaat 'UMGEHUNG UMLEITUNG'. Zij deed dienst voor de markt te Merchtem.
165. Foto's van het Merchtems gemeenteplein tijdens de oorlog. Wij zien hier enkele van de richtingaanwijzerplaten die hier tentoongesteld zijn. De foto's zijn 'gecensureerd': de aanwezige Duitse soldaten zijn vakkundig weggewerkt.
166. In de schrijnwerkerij bij Maurice De Ridder op de Dries te Mazenzele, werkten tijdens de oorlog enkele Duitse soldaten.

We zien hier van één van hen een stukje papier met zijn eigenhandig geschreven Heimatadres.

De bezetter ingekwartierd

167. Lijsten 'Te leveren door de gemeente (Opwijk) voor inkwartiering van bezettingstroepen: infanterie', met aanduiding van de te leveren goederen en diensten en de overeenkomstige kosten.

Deze lijsten bevatten een 40-tal inkwartieringsplaatsen.

De Waag diende voor 'eetplaats, keuken,wapenkamer, slaapkamers'.

In de pastorie huisde 'de wacht'.

Lokalen van het huis van Jozef De Smedt (Markt) dienden voor ziekenkamers en de garage van Henri Van der Stappen werd gebruikt als garage voor wagens.

168. 'Lijst der Quartiergevers aan bezettende troepen met bedrag', Opwijk.
169. Heel wat Opwijkse handelaars en stielmannen mochten of moesten leveren en werken voor de Duitse bezetter. Wij zien hier een aantal rekeningen en facturen voor geleverde goederen en diensten. Alles moest blijkbaar langs het gemeentehuis passeren.
170. Selectie van opeisingsbevelen, staten van inkwartieringen, inventarissen, rekeningen, verklaringen allerhande,... betreffende inkwartiering van Duitse troepen vanaf mei '40.

Gemeentebestuur onder de oorlog

In april 1941 schorsen de Duitsers de activiteiten van de gemeenteraad. De Duitsers schreven ze af als uitwassen van een decadent parlementair regime.

In tegenstelling met 1914-'18 krijgt het schepencollege op gemeentelijk vlak alle wetgevende en uitvoerende macht toegespeeld nadat op 7 maart 1941 de zogenaamde 'Ueberalterungsverordnung' van kracht is geworden. Een slimme zet van de Duitse overheid, want daardoor worden alle burgemeesters en schepenen, die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, gedwongen tot ontslag. De achterliggende bedoeling is uiteraard hen zoveel mogelijk te vervangen door kandidaten van de Nieuwe Orde, meestal VNV-ers.

171. Omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Volksgezondheid aan de gemeentebesturen, dd. 18 april 1941, waarin de Secretaris-generaal meldt dat, volgens een beslissing van de bezettende overheid, alle werkzaamheden voor de duur van de oorlog verboden zijn.

Opwijk

Politieke situatie na de gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938: zie p. 5.

Opwijk ging de bezetting in met Jozef De Smedt (° Opwijk 10-2-1875, † Opwijk 23-3-1968, brouwer van Stoasens) burgemeester, Louis Geeurickx (° Opwijk 13-4-1883, t Opwijk 14-8-1952, koster) eerste schepen en Alfons Moens (° Moorsel 28-2-1875, † Opwijk-Nijverseel 9-11-1958, 'Fong van de Boerenbond') tweede schepen, allen lid van de katholieke partij.

Ten gevolge van het besluit 7 maart 1941 werden schepen Alfons Moens in 1941 en burgemeester Jozef De Smedt in 1942 uit hun ambt gezet.

Met een brief van 29 maart 1941 vraagt het Opwijks gemeentebestuur aan de Overheid, burgemeester Jozef De Smedt in dienst te willen houden (argumenten: uitstekende staat van dienst, ruime ervaring, vertrouwen van Hogere Overheid en van de bevolking, flinke gezondheid, tijd voor de uitoefening van het ambt). Op 23 juli 1941 vraagt het gemeentebestuur aan de Hogere Overheid, om, ter vervanging van schepen Alfons Moens, Gustaaf De Nil (Gemeenteraadslid, Heirbaan) aan te duiden. Het gemeentebestuur verstrekt op 8 september 1941 aan de Hogere Overheid gevraagde inlichtingen betreffende de persoon en de staat van dienst van Remi Moerenhout. Op 11 september meldt het gemeentebestuur dat Gustaaf De Nil, om gezondheidsreden, dient af te zien van het aanvaarden van het schepenambt. In zijn plaats wordt Jozef van Mollem voorgesteld (Stationsstraat, hophandelaar, in het begin van de oorlog leider der Boerenwacht).

De bezettingsoverheid stelde dan uiteindelijk Remi Moerenhout (Processiestraat) aan als schepen (eedaflegging op 4 oktober 1941) en Paul Semal (architect, Schoolstraat, ° Opwijk 7-6-1891, † Antwerpen 21-2-1975) als burgemeester (tekent als burgemeester de correspondentie van de gemeente vanaf 26 januari 1942 tot 24 juni '43). Beiden verlieten Opwijk zodat Louis Geeurickx wettelijk in dienst gebleven als eerste schepen, de last van het gemeentebestuur gans alleen bleef dragen tot het einde van de oorlog.

172. Foto's, rouwbrieven, bidprentjes,... van de burgemeester en schepenen tijdens de oorlogsperiode.

Mazenzele

Politieke situatie na de gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938: zie p. 5.

Emiel Esselens (° Mazenzele 23-4-1884, † 26-1-1959) ging als burgemeester de bezettingstijd in. Schepenen waren Emiel Van de Velde (° 21-9-1889) en Frans Vereist (° 7-12-1889). Van 1942 tot 1944 was August Couck (° Essene 23-5-1902, † Mazenzele 4-1-1977) waarnemend burgemeester.

173. Brief van het Mazels gemeentebestuur naar de gemeenteraadsleden, dd. 19 april 1941, waarin de beslissing van de bezettende overheid dat voor de duur van de oorlog de werkzaamheden van de gemeenteraad verboden zijn, aangekondigd wordt.
174. Foto's, rouwbrieven, bidprentjes,... van de burgemeester en schepenen tijdens de oorlogsperiode.

Ravitaillering en rantsoenering van levensmiddelen

Tijdens de oorlog werden grote groepen van de bevolking met honger geconfronteerd. Het dagelijks leven draaide voor velen nagenoeg uitsluitend rond problemen van de voedselbevoorrading. Ravitaillering en rantsoenering werden sterk aan banden gelegd. Voedselschaarste werkte woeker, smokkel en sluikhandel in de hand. Talrijke liefdadige instellingen trachtten de hachelijke voedseltoestand te verlichten.

Op de vooravond van de Tweede wereldoorlog verbruikte de gemiddelde Belg 10.716 Kj onder vorm van o.m. 78 gram proteïnen, 74 gram

vet en 390 gram koolhydraten en voedde zich aldus overdadig en onevenwichtig. De inlandse landbouw dekte deze overvloedige levensmiddelenconsumptie slechts voor de helft. De afhankelijkheid van het buitenland varieerde naargelang het voedingsprodukt: vooral de import van graan en veevoeder was zeer aanzienlijk.

Eens de oorlog en de instelling van de Engelse blokkade een reële bedreiging vormden, zochten wetenschappers en overheid koortsachtig naar de formule om 8,3 miljoen mensen met de inlandse eetwarenproductie te voeden. Zich inspirerend op de eerste Wereldoorlog, bouwde de overheid een institutioneel kader uit. Ten einde de eerlijke verdeling van de levensmiddelen te waarborgen, ontwierp ze een rantsoeneringsstelsel. Zij maakte dit bekend via het besluit van 9 november 1939 en twee uitvoeringsbesluiten. Verder trof ze een aantal begeleidende maatregelen, zoals het cultuurplan en de prijsreglementering. De voedselrantsoenering, bij besluit van 10 mei 1940 uitgevaardigd door de regering-Pierlot en daags nadien in werking gesteld, kwam dus geenszins als een verrassing.

Toen voormelde regering het land verliet, namen de Secretarissen-generaal het roer over. Zij inspireerden zich evenwel op het werk van hun voorgangers. Een gigantisch administratief kader diende de bevoorrading van de bevolking te verzekeren. Het Departement van Landbouw en Voedselvoorziening had de hoogste bevoegdheid voor de vraagstukken over de primaire sector en de ravitaillering. Het oefende toezicht uit op andere instellingen die zich met deze problematiek bezighielden. Daarbij was vooral de in augustus 1940 opgerichte Nationale Landbouw- en Voedselcorporatie van belang. Die instelling diende marktordening te bewerkstelligen en groepeerde daartoe alle sectoren die op één of andere wijze voor de ravitaillering van de bevolking instonden. Andere belangrijke instellingen waren de gemeentelijke diensten voor voedselvoorziening en rantsoenering, het Commissariaat voor Prijzen en Lonen en 'Winterhulp'.

In eerste instantie stelde men de bezetter voor het voedseltekort verantwoordelijk. De bevolking ging er van uit dat de Duitsers het land leegplunderden. De Belgische radio-uitzendingen vanuit Londen versterkten die mening. De hogere voedselrantsoenen toegekend aan Duitse onderdanen, aan bepaalde categorieën van collaborateurs, alsmede aan arbeiders die in dienst stonden van de Duitse oorlogseconomie, waren een doorn in het oog van de massa. De publieke opinie stelde ook de secretarissen-generaal voor de voedselschaarste verantwoordelijk, met name vooral de Secretaris-generaal voor Landbouw- en Voedselvoorziening, E. De Winter.

Basis van de voedselvoorzieningspolitiek was de rantsoeneringstabel, die telkens voor een periode van 30 dagen geldig was. Hierop stond het dagrantsoen, uitgedrukt in gram, van tien verschillende producten in gram, bepaald. Deze producten waren: 1. Brood of meel; 2. Koffieproductie (surrogaten); 3. Voedingsvetten; 4. Zetmeelhoudende producten; 5. Zout; 6. Suikerwaren; 7. Aardappelen; 8. Havermout; 9. Olie; 10. Vlees. Tijdens elke rantsoeneringsperiode werd de hoeveelheid aangepast aan de bevoorradingsmogelijkheden, beter gezegd aan wat men kon of wilde leveren aan de bevolking. Elk gezin diende zich jaarlijks in te schrijven bij de gemeentelijke ravitailleringsdienst waar een ravitailleringskaart uitgereikt werd. Deze kaart moest telkens voorgelegd worden bij het ophalen van de ravitailleringszegels. Elk ravitailleringstijdperk verschilden de zegels van kleur en het drukwerk werd steeds geraffineerder om vervalsingen tegen te gaan. De zegels waren genummerd van 1 tot 10, overeenkomstig de bovenvermelde producten en ze gaven naargelang bepaald recht op 1, 2, 5, 10 of 30 dagrantsoenen, naargelang de voorschriften. Verder waren een hele reeks wisselende bepalingen van kracht, die betrekking hadden op extra-rantsoenen, speciale rantsoenen en rantsoenering van producten, die niet op de tabel voorkwamen. Slechts enkele voorbeelden: arbeiders, die zwaar werk verrichtten hadden recht op extra-rantsoenen brood, margarine en vlees (zwarte zegels); zwangere vrouwen en voedsters op een extra-rantsoen brood; kinderen onder de 14 jaar, zwangere vrouwen, sommige zieken en personen boven de 70 jaar op melk (zegel nr. 11), kinderen onder de 4 jaar op eieren. Verder bestonden er vis-, fruit- en groenten-, vlees-, melk- en eierkaarten voor sommige plaatselijke gereglementeerde afdelingen.

Met de mensen die geen recht hadden op rantsoeneringskaarten en -zegels (ondergedoken werkwei-geraars, joden, gekende weerstanders,... dus alle mensen die op de lijst van Duitsers als 'gezocht' vermeld stonden), werd uiteraard bij de berekeningen geen rekening gehouden. Gevolg: gebrek, diefstal van levensmiddelen op 't veld en afgewerkte producten, kweken in 't zwart, smokkel, diefstal en namaak van rantsoeneringsdocumenten,...

Door het rantsoeneringssysteem kende de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie (N.L.V.C., opgericht op 27 augustus 1940, o.l.v. secretarisgeneraal De Winter) theoretisch de precieze omvang van de kunstmatig bepaalde voedselbehoefte per produkt en per woonplaats. Zijn taak was dus de produktie en de distributie hierop af te stemmen. Aanvankelijk meende men dat enerzijds propaganda om meer te produceren en prioritaire levensmiddelen voort te brengen en anderzijds sancties tegen de sluikhandel zouden volstaan om het vooropgestelde doel te bereiken. Toen op dramatische wijze duidelijk werd dat dit hoegenaamd niet werkte, werd een steeds uitgebreider controlesysteem en een steeds strakker geleide landbouweconomie opgelegd.

Reeds in augustus 1940 waren de melkerijen genationaliseerd en was de boer verplicht zijn volledige melkproduktie te leveren aan de hem voorgeschreven melkerij. In april 1941 werd de verplichte registratie van de rundveestapel ingevoerd, later volgde de varkensstapel. Op deze manier hoopte men een betere greep op de zuivel- en vleesproductie te krijgen. Wie onvoldoende melk leverde kreeg boetes of zijn vee werd aangeslagen. Op basis van de informatie van de jaarlijkse tellingen van het landbouwarsenaal en de opbrengsten werden teeltplannen opgesteld, die opgelegd werden aan alle uitbaters van meer dan 50 a (half september 1942 waren in Opwijk 561 boeren onderworpen aan dergelijke teeltplannen).

Een hoofdpeiler in het beleid van de Corporatie waren de zogenaamde 'cultuurplannen', dit zijn actieplannen voor de landbouw met een sterk dirigistische inslag. Opdat de overheid de nodige controle zou kunnen uitoefenen, waren de landbouwers verplicht zich aan opgelegde kwantitatieve en kwalitatieve normen te houden. De officiële landbouwtellingen van 1940 golden als uitgangspunt voor het cultuurplan 1940-'41. Hier werd een eerste belangrijke vergissing begaan. De officiële tellingen hadden immers de totale landbouwoppervlakte met 10 % of 180.000 ha onderschat.

De teeltplannen hadden tot doel de aardappel- en broodgraanteelt en vanaf 1943 de koolzaadteelt uit te breiden, en de teelt van andere prioritaire gewassen zoals suikerbieten, cichorei, peulvruchten, gerst en vlas op zijn minst stabiel te houden. Voor graan en aardappelen werden van jaar tot jaar strengere productienormen opgesteld, gebaseerd op de veronderstelde vruchtbaarheid van de grond. Die werd aanvankelijk per landbouwstreek maar vanaf het einde van 1943 voor elke gemeente afzonderlijk bepaald. Naast teeltregeling was er de verplichting om weiden te 'scheuren' (om te ploegen): in 1942-'43: 10 % en in 1943-'44: 20 %. Elke landbouwer werd verplicht jaarlijks een zaaiplan in te dienen ter controle of het conform was aan een teeltplan. Na goedkeuring kreeg hij in functie hiervan zaaigoed en meststoffen toegewezen. Bij een slechte oogst was er de mogelijkheid een schatting ter herziening van de te leveren hoeveelheden aan te vragen.

De grossist en de kleinhandelaar hadden een vergunning nodig om hun beroep te mogen uitoefenen. De groothandel en ten dele ook de kleinhandel werden op die manier grondig 'gerationaliseerd'. In elke streek werden groothandelaars 'erkend', die het monopolie kregen over één of meerdere producten. Voor elke bevoorrading was een machtiging nodig. De kleinhandelaar bv. kreeg zijn machtiging op basis van de ingeleverde borderellen met ravi-tailleringszegels of het aantal ingeschreven cliënten. Zo hoopte men de distributie en de stocks te controleren. Dit systeem was echter zo ingewikkeld en zo omslachtig dat de bevoorrading totaal mank liep. Onregelmatige en te weinig gespreide verdelingen, levensmiddelen die lagen te rotten of bevroren en bevoorradingen die niet op elkaar afgestemd waren (bakkers die over meel beschikten maar niet over kolen om hun ovens te stoken).

De werkelijkheid draaide dus wel heel anders uit dan het beeld van een corporatief stadje, waar iedereen samenwerkt om het gemeenschappelijk doel te bereiken, zoals men de bevolking in 1940 voorspiegelde (zie cat. nr. 204).

De N.L.V.C, was een indrukwekkende monsteradministratie met duizenden ambtenaren, die over verregaande bevoegdheden beschikte; ze gebood, verbood of beperkte de productie van levensmiddelen of het gebruik van bepaalde ingrediënten, ze regelde de distributie en de verkoop, bepaalde de prijs en legde boetes op wanneer haar bepalingen niet nageleefd werden. Het regende onophoudelijk bepalingen en voorschriften, die elkaar aanvulden, ophieven, specificeerden en in niet geringe gevallen mekaar tegenspraken. De N.L.V.C, telde, plande, reglementeerde en controleerde zodanig, dat elke burger, producent en consument, als het ware op elk moment moest kunnen bewijzen dat hij handelde volgens de voorschriften. Het gezegde 'Indien papier kon gegeten worden zou de N.LV.C. het voedselprobleem prachtig opgelost hebben'.

In 1940 reeds wordt de ravitailleringsdienst in elke gemeente ingericht.

Zoals zowat overal waren de bedienden van het ravitailleringsbureau veelal beroepsmilitairen van vóór de oorlog. Zij waren immers 'technisch werkloos' en hun wedde moest toch uitbetaald. In veel gevallen waren deze mensen 'patriotten' zodoende eerder anti-Duits. Zij dienden niet altijd strikt de belangen van de bezetter en in veel gevallen pasten zij in hun job bepaalde reglementeringen méér dan soepel toe, ten voordele van de noodlijdende bevolking.

Opwijk krijgt twee mensen toegezonden die zich met de inrichting ervan zullen gelasten. Het waren de heren Oscar-Gustaaf Ringoir en Gustaaf Pullinckx, beiden van Brussel. G. Pullinckx deed ook dienst in Mazenzele. In het oude schoolhuis (Schoolstraat, bij de vroegere gemeentelijke jongensschool, nu BuSo) worden de burelen ingericht. Een achttal bedienden -allen Opwijkenaars-, zullen voor Opwijk de ravitailleringsonderrichtingen op papier zetten en naar best vermogen uitvoeren. In Mazenzele deed Maurits Heuninckx dienst.

Een landbouwtelling wordt gehouden: landbouwers, gronden, weiden, boomgaarden, kleine hovingen, veestapel, kleinvee, inzonderheid de oppervlakten van graan- en aardappelvelden dienen gekend. De landbouwers werden in evenredigheid verplicht vlees, graan, melk aardappelen, stro,... te leveren. Er moesten opnieuw slooren (koolzaad) aangeplant worden.

Om de maand kon ieder gezinshoofd in het bedelingslokaal, een klas van de jongensschool, de hem toegekende rantsoenzegeltjes (melk, boter, vlees, brood, textiel, schoenen, kolen,..., hoeveelheid in functie van de gezinssituatie en -samenstelling) gaan afhalen.

Een maandrantsoen -wanneer men er kon aangeraken- was amper voldoende om 14 dagen rond te komen. Vandaar de opkomst van smokkel, woeker, vindingrijkheid en plantrekkerij van de bevolking. Stielmannen lieten zich veelal door boeren en andere 'producenten' betalen in natura. Een nieuw kostuum van de kleermaker voor de boer voor zoveel kilo meel, spek, boter,... (alles in 't zwart' natuurlijk).

Voor het opmeten van graan- en aardappelvelden werden onderwijzers en gemeentebedienden aangeduid. Opwijk kromp die dagen merkelijk in oppervlakte. Immers, elke boer loog een beetje en de 'landmeters' werkten met kettingen van 10 meter plus twee-drie passen als toemaat. Op papier mislukten de oogsten regelmatig, de koeien stonden opvallend veel droog, de varkens wilden niet vreten, een koe werd gestolen 'met 't geld in de kribbe', de kiekens staakten met eieren leggen, men legde het te veel aan graan bij een burger op 't zolder,.... De controleurs konden zich laten omkopen (meestal en bij voorkeur in natura) of ze riskeerden een aanslag of een rammeling van onbekenden.

De schoolbedelingen omvatten naast vitaminepilletjes ook soep en maïs. Haring werd soms bij drie-vier ton op de speelplaats van de jongensschool afgekapt en met een bollekensriek in de emmers van de huismoeders bedeeld. De rantsoenmelk werd soms zodanig gedoopt dat het vetgehalte aan de zéér lage kant lag. In de textielproducten was er naar het einde van de oorlog geen ziertje wol te vinden, ersatz noemde men dat, geweven van aardappelloof vertelden de mensen. De kolen -wanneer men die kon krijgen- waren veelal ook van de minste kwaliteit: véél stenen, véél gruis, of stoffige eitjes of papperige slam of de bruine spriet.

Die haring, vitaminen, schoolsoep en -koeken en de goede aard van vele van onze boeren, verdienen onze dankbare hulde!

Een inbraak in een ravitailleringsbureel was niet zo uitzonderlijk. Evenmin uitzonderlijk kregen enkele overledenen nog hun rantsoenzegeltjes. Familie en enkele vrienden van onze boeren kregen een klutske graan, aardappelen, boter, spek,... aan een behoorlijk prijsje. Ruilhandel bracht ook hier en daar enige oplossing. Om de huisbrand enigszins aan te vullen kregen sommige mensen een paar bomen uit het bosje van meneer.

De rest van het 'tekort' diende in de smokkel tegen woekerprijzen aangeschaft te worden, met de nodige risico's in kwaliteit en kwantiteit, en ten koste van de laatste spaarcentjes van kleine burgers, werkmensen en ouderlingen.

Op 29 oktober 1940 richt de Duitser bezetter en de Belgische overheid de hulpverlenende Winterhulp op. Winterhulp organiseerde tegen betaling en afgifte van rantsoenzegels o.a. soep- en meikbedelingen en goedkope maaltijden voor diverse catogorieën van steungerechtigden.

'Boerenhulp', een organisatie ontstaan in de schoot van de N.LV.C. ving ondervoede stadskinderen gedurende enkele maanden op bij landbouwersgezinnen die vrijwillig hun diensten aanboden. De N.L.C.V. zette op deze manier de gepriviligieer-de positie van de boer in het licht en kon in feite op geen betere manier de mislukking van haar voed-selpolitiek illustreren.

Het Werk van den Akker spoorde de bevolking er ietwat overbodig toe aan alle voor tuinbouw vatbare percelen maximaal te benutten. In de zomer van 1942 zijn dan ook alle tuintjes en lapjes grond en in de steden ook bijna alle parken en plantsoenen omgetoverd tot groenteperken. De ploeg gaat zelfs door het park van Laken.

C.O.O., Winterhulp, St.‑Vincentiusgenootschap, Rode Kruis, stichtten veel goeds, doch maakten ook misnoegden omwille van -zogezegde- onredelijke verdelingen. Deze instellingen, de schoolbedelingen, de soms overvloedige haringrantsoenen, de gulhartigheid van een aantal welstellende families,... lenigden hoe dan ook enigszins de zwaarste nood.

Verplichte levering van landbouwopbrengsten

175. Lijsten 'Levering van aardappelen', respectievelijk 28 september en 3 oktober 1940.
176. Affiche uitgaande van het Ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening 'Vergemakkelijking van den aankoop van Plant-aardappelen', met het besluit van 15 april 1941 (B.S. 14-15-16 april 1941) en model van een formulier dat door de gemeente diende verstrekt 'Toelating tot vervoer van inlandsche aardappelen bestemd voor het planten'.
177. Document van de Aardappelcentrale 'Toelating voor den verkoop en het vervoer van plantaardappelen', Verkoper: Louis Van Gerwen (Nanovestraat). Bestemmeling: Jean Wouters (Kerkstraat). 21 april 1941.
178. Blanco-formulier 'Gemeente Opwijk-Ravitaillering STROO. Persoonlijk Leveringsbevel', in toepassing van de verordening van 10 oktober 1941.
179. Verdeellijst voor levering van 35.229 kg. stro, Opwijk, dd. 21 augustus 1942.
180. Tabel van de gemeente Opwijk 'Leveringsplicht in Haver Oogst 1942, afgesloten 11 september 1942.

In totaal komen 331 'leveranciers' op de lijst voor. De te leveren hoeveelheid bedroeg 4 of 5 kg. per are. In totaal werd 36.844 kg. geleverd.

181. Ontvangstbewijs van bevelschriften aan Opwijkse burgers voor verplichte levering van hooi, dd. 6 januari 1944.
182. Leveringsbevel vanwege de S.V. Stroo- & Fouragekantoor, in opdracht van de Duitse overheid, aan de gemeente Opwijk, voor levering van 30.875 kg. hooi, dd. 8 februari 1944. De lading moest overgemaakt worden aan L. Coppens van Asse.
183. Kaart 'Mobilisatie van den oogst 1944. Algemeene kaart van den aan het teeltplan onderworpen exploitant' van Judocus Esselens (Doortstraat), 1944.

De binnenluiken geven ons de 'Verantwoording der productie- en leveringsverplichtingen opgelegd door het teeltplan' en de 'Bijzondere leveringsverplichtingen'. Het laatste luik blijft voorbehoud voor de aanduidingen 'Beweging der leveringen'.

184. Enkele kaarten 'Mobilisatie van de oogst 1944'. Algemeene kaart van den niet aan het teeltplan onderworpen exploitant', Opwijk, 1944.
185. Tweetalige affiche -Nederlands-Frans-, uitgaande van het Ministerie van Volksgezondheid en Ravitailleering 'Ravitailiee-ringszegels bestemd voor de Duitsche militairen en burgers'.
186. Uittreksel uit het register der beraadslagingen van de Opwijkse gemeenteraad, zitting van 9 januari 1945, betreffende de vergoeding van de 16 ingeschakelde onderwijzers (15 fr. per dag) en de 4 aangeworven personen (44,80 fr. per dag) die in 1941 en 1942 de opmeting van de landbouwgronden en de landbouwtellingen uitgevoerd hebben. Totale uitgave: 13.050,40 fr.
187. Controle aardappelen door aardappelcen-trale. Fotovergroting.
188. Levering van aardappelen aan de aardap-pelcentrale. Fotovergroting.
189. Selectie van diverse andere documenten betreffende de ravitaillering.

Rantsoenering

190. Affiche uitgaande van Ministerie van Volksgezondheid en Ravitailleering 'Rantsoeneering van eetwaren', Besluit van 2 juli 1940.

Wij zien er een rantsoeneringstabel op, met een lijst van gerantsoeneerde produkten, met het overeenkomend nummer van de zegel, het aantal rantsoenen per zegel, het rantsoen per dag in gr. en de hoeveelheid per zegel.

Deze tabellen die in het openbaar werden uitgehangen vermelden dus met hoeveel en met welke rantsoeneringscoupons men bepaalde producten kon kopen. Deze rantsoeneringstabellen werden ook erg regelmatig gepubliceerd in de dagbladpers (zie o.a. de verwijzing naar de tabel in Hef Algemeen Nieuws van 6 november 1940 - cat. 370).

Onderaan lezen we het bericht dat de Duitse militaire overheid een verordening heeft uitgevaardigd, waarbij het stelsel der levensmiddelenrantsoenering, van 11 juli 1940 af, voor het geheel van het Rijk, tot alle Duitse burgers en militairen uitgebreid wordt, met nadere uitleg voor het systeem van Duitse militairen en burgers die niet van de troepenhuishouding afhangen, en voor mess en kantines van de Duitse overheid. (Reproductie)

191. Affiche met de rantsoeneringstabel, geldig vanaf 7 januari 1941.
192. Affiche met de rantsoeneringstabel, geldig van 27 mei tot 25 juni 1943.
193. Affiche met de rantsoeneringstabel, geldig van 19 augustus tot 17 september 1944. Het is dus de laatste lijst vóór de Bevrijding.
194. Aanplakbriefje, in het Duits.

Vertaling: Bij verordening van de militaire bevelhebber is het aan het restaurant VERBODEN gerantsoeneerde voedingswaren ZONDER ZEGELS AF TE LEVEREN.

De leden van de Wehrmacht (Duitse leger) die zelf instaan voor hun voeding kunnen zegels bekomen op het bureau van de plaatselijke (legercommandant.

195. De verslechtering van de bevoorrading in de loop van 1941 komt ook tot uiting in de mededelingen in de kranten omtrent de ravitaillering.

Op de voorpagina van Het Algemeen Nieuws van 25 september 1941 werden niet minder dan 3 bijdragen gewijd aan de toestand: 'Onze bevoorrading in broodgraan - De oogst was goed doch zal niet volstaan om de bevoorrading te verzekeren - Invoer van broodgraan in het vooruitzicht gesteld', 'Geen maaltijden in de spijshuizen zonder zegels - Donderdag en Vrijdag zijn vleeschlooze dagen - Het een-gerechtstelsel ingevoerd' en 'De rantsoeneering der eieren begint in Oktober'. Op pagina 3 lezen wij nog de 'Kroniek der Bevoorrading - De stand onzer voedselvoorziening - De winkeliers moeten slechte aardappelen weigeren'.

196. Uithangbiljet 'Rantsoeneering der eetwaren', uitgaande van het Ministerie van Ravitaillering, volgens besluit van 22 februari 1945 (Besluit reeds van kracht op 15 februari 1945!). Het betreft wijzigingen aan het besluit van 13 februari 1945 (rantsoeneringperiode 15-2 tot 16-3 1945).
197. Blanco 'Ontvangstbewijs voor aflevering van gewone zegelbladen aan nieuwe verbruikers', gemeente Opwijk.
198. Plooifoldertje van de gemeente Opwijk, met diverse praktische inlichtingen en modaliteiten betreffende de verspreiding en het gebruik van de rantsoeneringszegels, voor waren die aan een machtiging onderworpen zijn, schoeiselbons, maalvergunningen, huisslachting,...
199. Rantsoeneringskaarten en -zegels en waardebons, voor alles en nog wat, in alle maten en vormen!
200. Apparaatje om rantsoeneringszegels te vernietigen.
201. Brief van het Ministerie van economische Zaken, Algemene Dienst voor de Distributie, Afdeling Tabak, dd. 25 juni 1943, aan de firma Ch. Joostens & C° (Statiestraat), waarin, na een klacht ter zake, wordt uitgelegd hoe de verdeling van tabaksproducten 'op billijke wijze' diende te geschieden.
202. Enkele stempels van de Opwijkse ravitailleringdienst.
203. Enkele pro-Justitia, opgesteld door de Mazelse burgemeester Emiel Esselens, 1945-'46, betreffende het verlies, vernietiging door ongeluk,... van rantsoeneringkaarten door ingezetenen.
204. 'De Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie met haar sectoren en hoofd-groepeeringen is als een stad...'. Idealistische voorstelling van de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie. Fotovergroting.
205. Wortels van Winterhulp in plaats van snoep. Fotovergroting.
206. Selectie van diverse andere documenten betreffende de rantsoenering.

Cat. 191

Bescherming en diefstal van de oogst en de veldvruchten

207. 'Verordeningen op het verkeer binnen de Gemeente', Mazenzele.

Om diefstal van de oogst en veldvruchten in te dijken werd de toegang tot de los- en de veldwegen verboden, behalve voor de toezichthoudende overheidspersonen en voor eigenaars, huurders en gebruikers (en hun aangestelden) van de aanpalende percelen. Aan de ingang der wegen zal op last van de gemeente een bord 'verboden ingang' geplaatst worden.

208. Enkele verklaringen van de Politie van Opwijk betreffende ingediende klachten tegen onbekenden voor diefstal van aardappelstruiken, 1942 en '43.
209. Enkele Pro-Justitia opgesteld door Mazels veldwachter Alfred Jacobs, betreffende diefstal van 'groeiende aardappelen' en van koolzaad, 1944.

Boerenwacht

Deze instelling zag het daglicht in juni 1941 (Besluiten van 24 juni en 4 augustus 1941). Zij stond in voor het bewaken van de veestapel, de landeigendommen en de oogst. De organisatie en de leiding van de Boerenwacht berustten bij de N.L.C.V.

De Boerenwacht kende een strenge hiërarchische structuur: Corporatieleider (van de N.L.V.C.), Algemeen overste, Vlaamse en Waalse oversten, Provinciale oversten, Arrondissementsoversten, Gemeenteoversten, Wijkoversten, Trosoversten en Wachters.

De taak van de algemeen overste tot deze van de arrondissementsoverste lag grotendeels op het administratief vlak. De gemeente-, wijk- en trosoversten lieten zich met de bewaking in.

Aanvankelijk waren de wachters allemaal vrijwilligers. Vanaf augustus 1941 kon de burgemeester mannen tussen de 18 en 60 jaar opeisen indien de (vrijwillige) bezetting minder dan één wachter per 10 ha bedroeg. De Boerenwacht kampte immers met een schrijnend gebrek aan vrijwilligers en genoot slechts weinig steun bij de landbouwbevolking.

De leden van de Boerenwacht behoorden niet tot de gerechtelijke politie, legden geen eed af en waren niet bevoegd om rechtsgeldige processen-verbaal op te stellen. De organisatie had vooral een preventieve taak en verwittigde de openbare macht van vastgestelde overtredingen of gevaren. Zij onderhield nauwe contacten met de rijkswacht. De controle over de politionele opdracht van de organisatie berustte bij de burgemeester.

In de praktijk verzekerde de Boerenwacht de bewaking van het vee en de oogst door het uitrukken van patrouilles: éénmaal in de voornacht (na 22 uur) en éénmaal in de nanacht (voor 5 uur). Aanvankelijk enkel met een controleboekje gewapend, volgden de patrouilles een door de gemeenteoverste uitgestippelde weg. Tijdstip en traject van de rondes veranderde frequent. Toen in het land verscheidene wachters tijdens het patrouilleren werden gedood, kreeg de Boerenwacht op veel plaatsen de beschikking over jachtgeweren.

Aanvankelijk bood de Boerenwacht voldoende bescherming, doch zij bleek naar het einde van de bezetting toe niet opgewassen tegen de georganiseerde criminaliteit.

210. Armband 'Boerenwacht'.
211. Enkele opeisingsbevelen Opwijk. Met een verklaring van een werkgever (voor een voltijdse job of ploegenwerk,..) of een briefje van een dokter kon men wel zijn beurt laten overslaan.
212. Uitnodiging voor een vergadering van de Boerenwacht, zondag 14 november 1943 om 11u15 (na de hoogmis) in de St.-Pauluszaal Opwijk.
213. Boek met dagelijkse dienstregeling Winterwacht 1943-1944 Opwijk, van maandag 15 november '43 tot vrijdag 31 maart '44.
214. Geopend boek 'Boerenwacht-Rol Opwijk'.

Er waren 2 groepen. Groep I omvatte: sectie A (Nijverseel, Hoeksken, 't Luik), sectie B (Eeksken, Neerveldstraat), sectie C (Broekstraat, Doortstraat, Nanovestraat) en sectie D (Dorp). Groep II omvatte: sectie A (achterste Droeshout, Kalkestraat, 't Rod), sectie B (Waaienberg, Paddebroeken, voorste Droeshout, Langeveld, Hulst) en sectie C (Mansteen, Klei, Broevink).

215. Enkele 'Wachtbriefjes' (Opwijk) met aanduiding van de wijk, dienst, uur en plaats van vertrek, uur en plaats van de opeenvolgende hinderlagen en uur en plaats van einde.

'Het werk van den akker'

216. Tuinbouw boven N-Z verbinding Brussel. Fotovergroting.
217. Op weg naar volkstuintje. Fotovergroting.
218. Bewerken van eigen grasperk. Fotovergroting.
219. Groentetuin voor arbeiders N-Z verbinding. Fotovergroting.

Opeising van dieren

220. Tabel 'Gemeente Opwijk. Opeisching van koebeesten op Vrijdag 28° Maart 1941'. Het gaat om 1 beest bij 4 afzonderlijke boeren, met een totaal gewicht van 1.687 kg. met een totale waarde, bijkomende onkosten inbegrepen, van 11.456,35 fr.

Smokkel

Vroegere baangasten, vinnige kleinhandelaars, lepe en stoutmoedige kerels, vormden weldra een wereldje apart. Waarin men tot het einde van de oorlog van mekaar wist: waar, en hoe en tegen welke prijs, alles wat wél nog te krijgen was zonder zegeltjes. Tarwe, rogge, wit brood, beste boter, vet, lekkere biefstuk, een wollen pak, goede aardappelen, smakelijke spek, suiker, kruidnagel, peper, sigaretten, tabak, chocolade, een goed karabijn of revolver, noem maar op!

Die kerels hebben Brussel in leven gehouden, de Duitsers véél moeilijkheden berokkend, véél geld verdiend (en licht verteerd of verspeeld 'met de pas') en zijn soms ook gulhartig geweest jegens onze armste medeburgers.

De meest geraffineerde bergplaatsen (met valse muren en zoldertjes en verafgelegen ondoordringbare bossen), sluikslachterijen met de nodige mannen op wacht, smokkelwegen en smokkelmanieren werden bedacht om uit handen van de bezetter en zijn controleurs te blijven. Omgekeerd ook wensten de Duitse patrouilles en Belgische controleurs de slachtvloeren in volle bedrijvigheid niet te benaderen noch een smokkeltransport in de weg te lopen.

Werd een smokkelaar 'in 't groot' gepakt, dan kreeg die een zéér zware boete, de gevangenzetting werd met zwaar geld afgekocht en de zaak floreerde verder.

Veel kleine mensen riskeerden ook wel eens een smokkelaffaire naar Brussel, met enkele kilo's boter of vet of tabak (die was soms wel van achter de schuur, met bietebladeren en tabakstengels ingesneden, onbrandbare kwaliteit) of enkele stukken zeep. Dit ging dan met de trein (als die reed) of met de fiets tot Wemmei, indien men dan nog een tussenpersoon kende in Brussel. Met die winst kon men het dan thuis, als alles goed afgelopen was tenminste, weer enkele weken verder schoppen.

221. Karikatuur (Zittende vrouw met twee kinderen voor kraampje). Fotovergroting.
222. Karikatuur (Man in keldergat. Mand aardappelen en doos met sigaretten). Fotovergroting.
223. Karikatuur (Man biedt brood aan). Fotovergroting.
224. Karikatuur (Smokkelaars opgepakt in vrachtwagen). Fotovergroting.
225. Vilvoorde. Kinderen met kruiwagen wachten op de tram om de zwaarbeladen smokkelaars behulpzaam te zijn. Fotovergroting.

Winterhulp: een organisatie met een Duits smaakje

Enkele maanden na de Duitse inval, kondigt de eerste oorlogswinter zich aan. Door de ondermaatse oogst en de gebrekkige voedselbevoorrading vreest de overheid dat de bevolking honger zal lijden. Een mogelijk tekort aan warme kleding en steenkool kan de toestand enkel maar verergeren.

Om zich enigszins tegen het onheilspellend vooruitzicht te wapenen, laten de Belgische gezagsdragers zich overhalen tot de oprichting op 29 oktober 1940 van een liefdadige instelling naar Duits model, met name Winterhulp. De Duitse militaire overheid drong hier sterk op aan omdat een caritatieve organisatie in haar politiek van 'Ruhe und Ordnung' kaderde. Zij biedt immers enige waarborg voor een betere voeding van de bevolking, wat het arbeidsritme positief kan beïnvloeden. Ondanks bedenkingen van Belgische zijde, verschijnt het besluit tot oprichting van Winterhulp in het Staatsblad van 1 november 1940. Zowel de structuur als de naam verwijzen naar de Duitse zusterorganisatie WinterHilfe.

De drievoudige opdracht van deze Belgische instelling bestond uit het verlenen van materiële steun aan de behoeftigen, het inzamelen en verdelen van de daartoe nodige middelen en het coördineren en versterken van de werking van alle instellingen die hetzelfde doel nastreefden. Er werd enkel steun in natura verleend: bedeling van soep, melk, brood, steenkool, kleding, schoeisel, het inrichten van goedkope spijshuizen en eenschotelkantines,...

De aanvankelijke reacties op Winterhulp zijn positief en tijdens de winter 1940-'41 worden dagelijks 330.000 volkssoepen en 60.000 goedkope maaltijden verstrekt. Toch zorgt de Duitsgezinde reputatie van Winterhulp voor wrevel, waardoor een groot aantal ondersteunden afhaakt. Woordspelingen als 'Secours d'Hiver - Secours d'Hitler' duiken steeds vaker op, maar toch beschouwt het Duits-vijandige kamp Winterhulp niet unaniem als een pro-Duitse organisatie.

Door de tanende belangstelling, verlegt Winterhulp het zwaartepunt van haar werking naar de schoolgaande jeugd. Begin 1941 worden de eerste 'schoolsoepen' bedeeld en begint het lepeltje levertraan deel uit te maken van het dagelijks leven van de schoolgaande jeugd.

Geleidelijk zou Winterhulp haar inspanningen ook meer toespitsen op de hulp aan andere specifieke bevolkingsgroepen, nl. zwangere of zogende vrouwen, (gewezen krijgsgevangenen, politieke gevangenen en oudstrijders. Geneeskundige hulp werd steeds belangrijker.

Op 3 oktober 1940 meldt het Opwijks gemeentebestuur dat August Van Mulders (Heirbaan) aangesteld is om de leiding te nemen in de gemeente voor het werk 'Winterhulp'.

Einde 1940 worden de bevoegdheden in het plaatselijk comité 'Winterhulp' meegedeeld: Bestuur en Secretariaat: Geeurickx, voorzitter en De Vos, secretaris. Bevoorrading: Van Mulders. Uitdeling: September en Van Baelen. Kleding: Moerenhout. Propaganda: Mevr. De Smedt-Coeckx, Juffr. Lindemans, Buggenhout. Geneeskunde: dr. Markey. Inspectie en controle: Berghman, Vermeir. Ondervoorzitter: Buggenhout. Zetel: Marktstraat 155. Adres voor de briefwisseling: voorzitter Louis Geeurickx, Singel 253.

Begin mei 1940 besloot het Opwijks gemeentebestuur, in overeenstemming en met de medewerking van het plaatselijk Comité van Winterhulp inschrijvingen te openen en geldinzamelingen in te richten ten voordele van de slachtoffers van de ontploffingsramp te Tessenderlo. Een gezin uit de Nijverseelstraat diende een aanvraag in om een weeskind van de ontploffingsramp eventueel blijvend op te nemen. Er werd niet minder dan 26.046,20 fr. ingezameld (ca. 500.000 fr. in koopkracht van nu). Dit is een bewijs dat solidariteit in de oorlogsjaren, toen zovele huisgezinnen pure armoede hadden, geen ijdel begrip was.

226. Diverse posters waarmee Winterhulp trachtte de broodnodige fondsen te verzamelen. (Reproductie)
227. Bewijs van storting van 608, 50 fr. aan Winterhulp Brussel, afgestempeld te Opwijk op 31 januari 1941.
228. Verklaring, dd. 27 februari 1941, van schatbewaarder August Van Mulders van Winterhulp Opwijk, voor ontvangst van 2.944,75 frank van de plaatselijke Commissie van Openbare Onderstand, met de nodige detaillering.
229. Verklaring, dd. 31 maart 1941, van (de nieuwe?) schatbewaarder Benoit Vermeir van Winterhulp - Plaatselijk Comité Opwijk, voor ontvangst van 4.199,90 frank van de plaatselijke Commissie van Openbare Onderstand, 'voor terugvordering der afhoudingen over de maand Maart 1941'.
230. Verklaring, dd. 18 april 1941, van schatbewaarder Benoit Vermeir van Winterhulp Opwijk, voor ontvangst van 1.076,40 frank van de gemeenteontvanger Paul Verhaegen voor de plaatselijke C.O.O., 'voor afrekeningen der afhoudingen der gesteunden van openbare Onderstand'.
231. Affiche voor de Winterhulploterij.

Sint-Maarten -symbool van vrijgevigheid- was een veel voorkomende figuur op de Winterhulp-affiches. (Reproductie)

Bij haar oprichting einde oktober 1940 verwerft Winterhulp het alleenrecht om loterijen te organiseren. Half december 1940 gaan de 'Winterhulp'-geldtrommels effectief aan het rollen. Of hoe men toch nog geluk kan hebben tijdens de oorlog.

232. Vergrote kopie van een biljet van de Winterhulploterij, tweede schijf 1942. Een 'Het Vijfde'-lotje kostte 10 fr.
233. Aankondigingsbericht van een 'Grootsch Kunstfeest', ingericht door Winterhulp Opwijk-Merchtem, op zondag 14 september 1941, op de speelplaats van de meisjesschool, met als gastgroep de Nationale Muziekkapel van België. (Kopie)
234. Luciferpakjes verkocht te voordele van Winterhulp.
235. Soepbedeling - Vrouw bedekt haar gezicht.

Winterhulp subsidieerde ook de uitdeling van voedingswaren door het plaatselijk Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (Kinderheil).

Winterhulp-Opwijk steunde met punten, bons, kaarten en financiële giften het plaatselijk St.‑Vincentius-genootschap. Deze verdeelde jaarlijks voor 1.000 fr. kolen, voor 2.000 fr. kleren en beddegoed (vooral lakens en dekens), voor 5.000 tot 6.000 fr. baaikatoen voor lakens, vrouwen- en kinderhemden, en voor duizenden franken breiwol aan de behoeftige gezinnen. Veel aangekochte (en ontvangen) stoffen werden door de Christene Moeders en door de Opwijkse Zusters met hun leerlingen van de Familiale School verwerkt tot kousen en ander breiwerk, tot hemden, en ondergoed, tot kleedjes, enz. Na de oorlog werd het overschot voor de kostgangers en kinderen van het Gasthuis en Wezenhuis gelaten.

In de jaren 1940-45 werden gemiddeld een 24-tal gezinnen gesteund. Dit was merkelijk meer dan in de jaren 1917-'39. Na de oorlog daalde dit aantal terug opmerkelijk.

236. Geopend kasboek van het Opwijks Sint-Vincentiusgenootschap, met de ontvangsten en de uitgaven gedurende het jaar

1942. Bij de ontvangsten zien wij ook enkele geldelijke giften van Winterhulp.

Het Rode Kruis

Terwijl de oorlog nog volop woedde, kreeg het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK) op 9 november 1944 de Nobelprijs voor de Vrede (de eerste die uitgereikt werd sinds 1939), als blijk van erkenning voor de immense inspanningen die de organisatie tijdens de oorlogsjaren had geleverd. Eén van haar belangrijkste taken was de zorg voor de krijgsgevangenen.

237. Affiche 'Roode Kruis van België'.

Deze affiche, een uitgave van het 'Roode Kruis van België', maakt deel uit van een grootse campagne van de Recreatieve en Instructieve Dienst om 'boeken en spelen' in te zamelen om het lot van de krijgsgevangenen -zowel in Duitsland als in België- te verlichten. (Reproductie)

238. Affiche 'Votre Croix-Rouge. Lutte contre la souffrance. Quinzaine du 23 Avril-7 Mai'.
239. Rode-kruis affiche 'Pour nos prisonniers. Semaine de la Croix Rouge de Belgique. 22-29 mars 1942'.
240. 'Het pakket van de gevangenen. Ontvangbewijs van 5 fr. voor tusschenkomst in onkosten van het verzenden van een familie pakket', 2 sept. 1943.

Brandstofvoorziening

Door de grote behoeften van de oorlogsvoering was er voor de bevolking snel een tekort aan brandstoffen. De bevoorrading met steenkolen verminderde ook door een tekort aan geschoolde werkkrachten en aan materialen. Voor huisbrand daalde niet alleen de gerantsoeneerde hoeveelheid, maar ging ook de kwaliteit sterk achteruit. Er ontstond een jacht op stookhout. De gas- en electriciteitsproduktie daalde door het tekort aan steenkolen.

De schaarse -vooral synthetisch vervaardigde benzine en olieproducten waren voorbehouden aan het leger. Vele auto's en vrachtwagens werden omgebouwd met hout- en steenkoolvergassers en voor het personenvervoer gebruikte men opnieuw paard en kar maar vooral de fiets.

Het wagenpark van in de jaren veertig is uiteraard niet te vergelijken met dat van nu. Half aug. 1940 zouden er in Opwijk 67 wagen (personen- en vrachtwagens samen) gebold hebben. Maar zelfs om dit beperkt aantal wagens van brandstof te voorzien, moesten heksentoeren uitgehaald.

Bijkomende rijvergunningen waren uiteraard aan een streng voorafgaand onderzoek onderworpen. Bestaande rijvergunningen (voor de wagens, niet voor de bestuurder) moesten geregeld hernieuwd. Elke wijziging vergde heel wat admistratieve rompslomp. Elke verplaatsing met de wagen zelf was aan een strikte controle onderworpen.

Het Opwijks gemeentebestuur meldt op 13 augustus 1940 aan de Union Pétrolière Beige dat er in Opwijk zijn:

- 20 personenauto's, waarvan 16 met- en 4 zonder aanhangwagen. Voor deze 20 wagens is er per maand 2.575 l. benzine nodig.

- 47 camions en camionetten, bijna alle met groot draagvermogen. Hiervoor is er per maand 23.050 l. benzine nodig.

Nog in verband met de brandstofvoorziening, meldt het Opwijkse gemeentebestuur op 17 augustus 1940 aan de Hoofdrijkslandbouwkundige van het Provinciaal Landbouwbureel, dat er in de gemeente geen traktoren zijn, noch voor dorsmachines, noch voor het bewerken van het land, rijden. Wel 6 dorsmachines, waarvoor per dorsseizoen (ca. 100 dagen) 6.150 l. mazout, 900 l. benzine en 490 l. olie nodig is. Naast een vaste motor in een maalderij, waarvoor jaarlijks 18.000 l. mazout en 400 l. olie nodig is.

241. Gemeentelijke boeken Opwijk Motorbrandstoflevering 5-9-1940 - 7-11-1940, 19-11-1940 - 17-2-1941 en 17-2-1941 - 30-10-1941.
242. Dagboeken voor motorbrandstofdienst en smeermiddelen, gemeente Opwijk, 3-11 -1941 - 28-7-1944 en 10-8-1944 - 27-8-1946.
243. Verklaring, dd. 22 november 1941, van Dokter Emiel Markey (Opwijk) dat hij een aanvraag ingediend heeft voor een supplement brandstof, omdat de toegekende hoeveelheid niet voldoende was om verplaatsingen naar de kliniek te doen.
244. Verklaringen van Dokter Frans Van Ransbeeck (Opwijk), dd. november en december 1941, dat hij diverse zieken vervoerd heeft naar de kliniek van Aalst, Dendermonde, Asse, Anderlecht. Hij rekende ongetwijfeld ook op een supplement aan brandstof.
245. Verklaring, dd. 29 november 1941, van GO.O. van Wolvertem dat de aannemer Heyvaert (Klei-Opwijk), benzine nodig heeft voor de werking van de betonmolen bij de bouw van de Godshuisgebouwen.
246. Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad der ministeriële besluiten en andere besluiten der Secretarissen-Generaal van 22 maart 1942, betreffende 'Distributie van smeermiddelen voor met vloeibare brandstof aangedreven motoren'.
247. Inlichtingen voor het opmaken van de lijst met voorstellen voor motorbrandstoffendistributie, respectievelijk voor de maanden mei, juni en augustus 1942, opgesteld door de gemeente Opwijk. Er waren dus blijkbaar max. 35 mensen -meestal handelaren- die in aanmerking kwamen om brandstof te bekomen.

Bemerk ook de cijfers van de gemeentekwota voor augustus (voor de 35 gegadigden): 1.225 l. benzine, 360 liter gasolie, niets van hout en 7.500 kg. kolen (antraciet).

248. Ingevuld formulier' Verandering in de cliënteele van den kleinhandelaar. Steenkolen', exemplaar bestemd voor 'den Gemeentedienst voor de Bevoorrading en de Rantsoenering', maand februari 1942 (met uitbreiding tot april en oktober '42. Kleinhandelaar: Louis Saerens, Klei Opwijk. Het gaat hier over klanten van Merchtem.
249. Verkeerstoelatingen 'geldig voor één vervoer', afgeleverd door 'Vervoer-direktie-Fahrbereitschaft van het Arrondissement Brussel - Hulpvervoerbureel Merchtem', respectievelijk aan Jozef Vanderstappen (5 juni '42) en Victor Bormans (16 juni '42) beiden van Opwijk. Het betreft hier blijkbaar industrieel vervoer.
250. Bandenkaart voor de vrachtwagen 'Ford' voor fruit- en kolenvervoer van Petrus De Ridder (Steenweg op Merchtem), afgeleverd op 27 september 1945 door de 'Centrale voor scheikundige producten. Afdeeling : «Rubber & Asbest». De ingeschreven 5 aanvragen voor telkens 1 band (verdeeld over 4 merken) dateren alle van 11 sept. '45. Het gaat om vervangingsbanden omdat de oude banden gescheurd zijn of buiten dienst gesteld zijn wegens normale slijtage.
251. Attesten van neerlegging van het controleboekje 'met het oog op het bekomen van brandstof', afgeleverd door het 'Hulpvervoerbureel Merchtem' van de 'Vervoerdirektie voor het Arrondissement Brussel', aan de Opwijkse vrachtvoerders Van Mulders (16-8 tot 22-8-'41, Rottiers (30-8 tot 3-9 '41) en P. De Ridder (15-5 tot 20-

5-'42) en aan de brouwerij De Smedt (16-4 tot 20-4-'42. Ondertussen moesten de verplaatsingen ingeschreven worden op de keerzijde van dit formulier en later overgeschreven in het terug afgeleverde controleboekje.

252. Brieven, respectievelijk dd. 19 en 22 aug. 1941, van de 'Vervoerdirektie Arrondissement Brussel' aan het 'Vervoerbureel Merchtem', met terugzending van het controleboekje van enkele Opwijkse vrachtvoerders, met vermelding voor elk van hen van de hoeveelheid toegestane benzine als toelage voor de overeenkomende maand.
253. Wilde houthakkerij vlak bij St.‑Goedele Brussel. Fotovergroting.

Schaarste aan andere verbruiksgoederen

Door de geallieerde blokkade kwamen van buiten Europa geen grondstoffen meer ingevoerd worden. Daardoor was er schaarste aan textielproducten (vooral katoen) en moest men meer en meer kleding hergebruiken.

Ook palmolie en rubber kwamen het land niet meer binnen zodat nieuwe zeep, wasmiddelen, banden en schoenen schaars werden. Synthetische producten en leder gingen in de eerste plaats naar het leger. Voor de oorlogvoering eiste het leger de non-ferrometalen op. Voor vele grondstoffen werd recyclage de voornaamste bron.

254. Ketellapper. Fotovergroting.
255. Bij gebrek aan leder worden houten blokzolen op de schoenen genaaid. Fotovergroting.
256. Volk en Staat van zondag 16 en maandag 17 november 1941, met het centraal artikel 'De inlevering van non-ferro metalen - Een beroep op de bevolking van secretaris-generaal Viktor Leemans'. (Reproductie)
257. 3-talige affiche -Duits-Frans-Nederlands-'AVIS-BERICHT', uitgaande van het provinciebestuur van Brabant, dd. 15 december 1941, met het Duits bevel tot 'Inlevering van Gummibanden voor rijtuigen'.

De in beslag genomen gummibanden (binnenbanden, velgbanden en gummibanden inbegrepen) moesten zonder verdere opvordering ten laatste tegen 20 december 1941 tegen ontvangstbewijs bij de daartoe aangeduide inleveringsburelen ingeleverd worden.

258. Lijst gemeente Opwijk 'Bedeeling van dweilen - Distribution de torchons', van 11 november tot 2 december '43, voor 43 dweilen. De lijst bevat nauwgezet de datum van afgifte van de coupon, de naam en adres van de verbruiker (gezinshoofd), het nr. van de ransoeneringskaart en de handtekening voor ontvangst.

De papierschaartse tijdens de oorlog was enorm. Dit had natuurlijk ook gevolgen voor de publicatie van de dagbladen. De papierschaarste werd door de Duitse bezetter ook gebruikt als chantagemiddel om de pers naar zijn hand te zetten. Zo moesten op het einde van de oorlog De Gentenaar en Het Nieuws van den Dag hun publicatie staken omdat er volgens de bezetter onvoldoende papier voorhanden was.

259. Affiche 'Geef ons oud papier, oud papier geeft ons 62.000 arbeiders met vrouw en gezin werk en brood'.

De papierschaarste tijdens en kort na de oorlog was enorm. Vaak beschikten de kranten slechts over vier kleine pagina's om het nieuws te brengen. Sommige kranten moesten het zelfs stellen met 2 paginaatjes.

260. Verklaring van de fabrieksdirecteur van de S.A. Manta (Waasmunster en Heirbaan Opwijk), dat Louis Maervoet van Merchtem regelmatig in de fabriek in Opwijk werkzaam was sinds 1934 en dat hij verlangt een paar werkschoenen te bekomen. Deze aanvraag illustreert het nijpend tekort aan lederproducten en de strenge rantsoenering er op.

Terugwinning van afvalstoffen

In maart 1941 werd er te Opwijk een plaatselijk comité samengesteld 'met het oog op de terugwinning van afvalstoffen'. Maakten hiervan deel uit:

- voor het onderwijs: Oscar Mertens en Eugeen Van den Broeck (officieel onderwijs) en Jan Vermeir en Julia Moens (vrij onderwijs)

- voor de gemeentelijke wegenis: Jan Vermeiren

- voor de handelaars: Theophiel Van Gucht

- voor de lokale nijverheden: Jozef Heyvaert en Michel Picqueur

Op 1 augustus 1941 waren er in Opwijk drie personen die het beroep van afvalinzamelaar uitoefenden: Theofiel Van Gucht (Nijverseel), Edward De Meersman (Nieuwbaan) en Petrus Van de Voorde (Nijverseel).

261. Man controleert vuilnisbakken op recupereerbaar afval. Fotovergroting.
262. Ophalen van oud papier. Fotovergroting.
263. Campagne recuperatie papier. Fotovergroting.

Een huishouden beredderen in oorlogstijd: profijtig zijn en zijn plan trekken

Wat met de rantsoenzegeltjes te krijgen was, leidde zéker tot ondervoeding en bittere armoede. Dus trok men op zoek naar lapmiddelen... en of die gevonden werden!

Iedereen leerde spitten, planten en zaaien. Grasperken en lapjes braakgrond werden groentetuintjes, enkele roeden aardappelen en een paar rijen tabakplanten.

Omtrent die gelegenheidstuiniers bestaan tientallen koddige anekdoten. Wie aan afvalstoffen geraakte maakte er dure huishoudzeep van. Van enkele kilo's suikerriet kon men lekkere stroop maken. Afvalaardappelen werden geraspt en leverden aardappelbloem.

Iedereen leerde terug havermoutpap eten. Bij erg botertekort werd appelcompote of zelfs spinazie op de boterham gesmeerd. Gebrande gerst verving de peperdure koffieboon. De moeders leerden aardappeltaart bakken, en allerlei haringrecepten bereiden. Met aardappelschillen en een klutske zemelen (het overschot van het pakske tarwe dat men verdoken weg bij de mulder had laten malen) werden op verdoken plaatsjes varkens en konijnen gefokt. De vaders leerden klompen en schoenen repareren met stukken versleten fietsband.

Molenaars, tabaksnijders, klompenmakers, boerenslachters,... werden terug winstgevende beroepen. Fietsbanden werden peperduur en onze rijwielmakers leerden de fietsbanden vulcaniseren. Dekens werden geverfd en tot mantels verwerkt. Een oude versleten pardessus werd losgemaakt en omgekeerd verwerkt tot een sportvest. Al de bomen langs de Steenweg op Dendermonde verdwenen de een na de andere in de kachels tussen de spriet en de slam. De bosjes waarvan de eigenaar buiten Opwijk woonde, werden leeggeplunderd. Het arenlezen en gerooide aardappelvelden nog eens napluizen, kwamen weer in voege.

Tot in Kapelle-op-den-Bos trok men kooltjes ziften op een oude, grote stortplaats ergens langsheen de vaart. De gelukkigen die een kennis -stoker op de lijn Brussel-Dendermonde of op Leireken- hadden, kregen soms langsheen de spoorwegberm enkele briketten toegeworpen.

Aan onze 'weeldemaatschappij' van tegenwoordig, waar er géén bezuinigen of besparen meer in te krijgen is, hoort men soms nog een harde leertijd zoals toen aanprijzen.

264. 'Nieuw Kookboek 1942. 320 onuitgegeven recepten aangepast aan den huidigen tijd', uitgegeven door 'Ecopubli' n.v. Brussel.
265. 'Nieuw praktisch handboek 1942. 400 hedendaagsche handelwijzen voor het bewaren van alle eetwaren', uitgegeven door 'Ecopubli' n.v. Brussel.
266. 'Ons oorlogskookboekje. Raadgevingen en recepten voor dezen tijd betreffende...', door Gaston Clément, uitgegeven door de Nationale Commissie voor Economische Uitbreiding. Dateert waarschijnlijk van direct na de bevrijding.
267. Modetips:
- 'Uit restantjes'
- 'Wat maak ik met mijn oude blouse?'. Fotovergroting.
- Modetips 'Maak dit praktisch japonnetje uit een oude mantel'. Fotovergroting.
268. Krantenpubliciteit 'Garantol conserveert eieren meer dan één jaar'. Fotovergroting.
269. ffiche 'Weest vooruitziend', Provincie Brabant. Fotovergroting.
270. Krantenpubliciteit '1 jaar damesschoenen'.
271. Blokzolen op de schoenen spijkeren. Fotovergroting.
272. Opengeslagen bladzijden van De Vrouw van 26 november 1943, een 'vrouwenmagazine' uit de oorlogsjaren. Deze editie biedt zowat alles wat toen voor de vrouw -én de huismoeder- als interessant werd beschouwd: allerlei raadgevingen uit de huis-, tuin- en keukensfeer, tips inzake breien en kledij, een keukenpraatje en zowaar een kort verhaal: 'De pantoffelheld'. (Reproductie)
273. Brochure 'Huwelijk en Huishouden. De jeugdzonde', uitgegeven door Zedenadel - Bond voor Openbare Zedelijkheid, 1943.
274. Enkele stukken 'ersatz'-oorlogszeep.
275. Huishoudelijk kooktoestel in gietijzer Lampe Belge, op petroleum

Publicaties van de Boerinnenbond (Leuven) voor de plaatselijke Vrouwengildeleden

Het bondstijdschrift 'De Boerin' verscheen nog in 1940. Daarna liep de werking van de Boerinnenbond enkele weken in het honderd. In juli '40 verscheen een brochure met praktische inlichtingen die toegestuurd werd aan alle wijkmeesteressen. Van augustus 1940 tot maart 1942 kregen de leden opnieuw maandelijks een nummertje van het tijdschrift in de brievenbus. Daarna werd het blad vervangen door brochuurtjes, één per trimester, vol nuttige tips voor spaarzame moeders, huishouden in oorlogstijd, rantsoenering, gezondheid, woning en tuin,... 'De Boerin' verscheen weer korte tijd na de bevrijding, zij het -wegens de papierschaarste- nog op klein formaat.

276. Enkele nummers van de bijzondere info-brochures uitgegeven door de Boerinne-bond (Leuven) voor de leden van de Vrouwengilden: 'Praktische Wenken' (april 1942), 'Groenten en Fruit. Inmaken en bewaren' (juli 1942), 'Gezond Boeren-volk' (februari 1943), 'Gezond Leven!' (februari 1944).

Dagdagelijks leven - varia

277. Beelden die oudere Opwijkenaren wellicht nog erkennen: binnenzichten van de apotheek Meeussen in de Heirbaan, met apotheker Paul Meeussen en de oudste zoon Emiel, 1941.
278. Radiotoestel, Philips, 1939-'40.
279. Fototoestel Zeiss-lkon, 6x9 met balg, draadontspanner, tijdinstelling, statief. Jaren '30.
280. Papieren ersatz-(verpakkingskoor-den)koorden, waarvan sommige met middenin een ijzerdraadje ter versteviging.
281. Huishoudelijk telefoontoestel Bell van tijdens de oorlogsjaren.
282. Bureellampje op petroleum van tijdens de oorlog.
283. Wie dacht dat er onder de oorlog geen belasting diende betaald te worden!

Enkele documenten betreffende gemeentelijke belasting (Opwijk) voor de periode 1940-'44.

284. Uittreksel uit het register der beraadslagingen van de Gemeenteraad van Opwijk van 9 juli 1942. De gemeenteraad besliste 'met het oog op het handhaven der orde in de gemeente en het voorkomen van diefstallen...' vanaf 1 augustus '42 een uitgangsverbod tussen 23u30 en 5 uur in te voeren.

Geld

285. Belgisch geld, enkele muntstukken maar vooral bankbriefjes, gebruikt tijdens de oorlog (maar dus gedrukt vóór de oorlog), van onmiddellijk na de oorlog (gedrukt in Londen - zie 'Plan Gutt') en verder van na de oorlog.

Op sommige biljetten staat de tegenwaarde in Belga's vermeld.

De 'Belga' was van 1926 tot 1945 de officiële Belgische rekenmunt, met een waarde van 5 frank. Op de munten en biljetten werd de waarde zowel in frank als in 'Belga' aangeduid. De invoering van de 'zware' Belga was geen succes. Het gebruik beperkte zich vooral tot de wisselmarkten. In 1945 werd de 'Belga' afgeschaft.

De tewerkstelling

In de jaren 1942, '43 en '44 was er in feite geen officiële werkloosheid in België. Mensen die niet werkten werden beschouwd als asociaal en werden verplicht aan het werk gezet. Deed je dat niet, dan kreeg je als werkloze niet langer financiële hulp van de toenmalige C.O.O.'s. Je kan het een soort klusjesdienst avant la lettre noemen.

De vrijwillige tewerkstelling

Het oorlogsgebeuren had de Belgische economie totaal ontwricht. Fabrieken waren vernietigd, transportmiddelen onbruikbaar. Vooral in de eerste maanden van de oorlog was er een enorme werkloosheid. In Duitsland daarentegen draaide de oorlogsindustrie op volle toeren en had men nood aan arbeiders. Het merendeel van de Duitse mannen was onder de wapens en zelfs na het inzetten van een massa vrouwen kwam de industrie handen te kort. De bezetter deed dan ook al het mogelijke om Belgische arbeiders naar Duitsland te lokken.

Al van in het begin van de oorlog waren er arbeiders die vrijwillig gingen werken in het land van de bezetter. Zij geloofden in de Nieuwe Orde of zij deden het omwille van de beloofde gunstige voorwaarden. Volgens de officiële cijfers van de Militarverwaltung ging het om 320.000 Belgen, maar algemeen wordt aanvaard dat de groep heel wat kleiner was: ongeveer 130.000 Belgen.

Toen de Duitse bezetter het steeds moeilijker kreeg aan de verscheidene fronten, moesten steeds meer Belgen verplicht aan het werk in België en Duitsland. Zij moesten de productie van haperende oorlogsindustrie helpen opvoeren.

De verplichte tewerkstelling

In maart 1942 lanceerde men het plan om Belgische arbeiders verplicht naar de Duitse fabrieken te sturen. Uiteindelijk zou de 'gehate verordening' van 6 oktober 1942 van de verplichte tewerkstelling in Duitsland een feit maken. Vanaf dan konden alle mannen van 18 tot 50 jaar en alle vrouwen van 21 tot 35 jaar verplicht worden in Duitsland te gaan werken. Na luid protest, lieten de Duitsers de maatregel in maart '43 vallen voor de vrouwen.

De Nazi's stuurden zo tienduizenden Belgen naar Duitsland, waar ze in vaak onmenselijke omstandigheden in de oorlogsindustrie aan de slag moesten.

Vanaf 6 maart '42 moesten ook in de Belgische industrie jonge mannen verplicht aan de slag. De bezetter controleerde de personeelslasten in fabrieken en arbeiders die er niet echt nodig waren, moesten in de oorlogsindustrie de productie verhogen. Dat gold ook voor studenten die een werkstage van zes maanden moesten doen in Belgische fabrieken.

In de loop van de oorlog waren er voor de periode augustus 1940 tot 31 oktober 1942 224.300 vrijwillig tewerkgestelden en 189.542 verplicht tewerkgestelden voor de tijdspanne van 1 november 1942 tot 31 juli 1944.

Vele duizenden werkweigeraars doken van hun kant in de illegaliteit en versterkten het Verzet, dat hun dan ook een zekere opvang kon bezorgen met onderdak en eten (zij waren immers uitgesloten van een rantsoeneringskaart- en zegeltjes). Deze beschikbare jonge mannen hadden er iets voor over om uit de klauwen van de bezetter te blijven.

Niemand voelde zich nog veilig en zowel arbeiders als welstellende burgers ontkwamen niet aan de greep van de Werbestellen, die, op bevel van Sauckel, de 'gevolmachtigde voor de arbeid', steeds grotere contingenten moesten rekruteren.

Werkweigeraars, ondergedoken en het Verzet... Er ontstond een nooit geziene golf van samenwerking en solidariteit in alle geledingen van de Belgische maatschappij, wat er de taak van de bezetter niet op vergemakkelijkte.

De verplichte tewerkstelling in België en Duitsland was tijdens de oorlogsjaren helemaal in handen van VNV'er Frits Jan Hendricks, de bestuurder van de Rijksarbeidsdienst. Hij rapporteerde rechtstreeks aan de Duitse bezetter.

De dienst werkte aanvankelijk met personeelslijsten van bedrijven om bijvoorbeeld alle vrijgezellen op te sporen, maar dat was allesbehalve een succes. De lijsten werden vernietigd of vervalst.

Als gevolg van de sabotage ging de Werbestelle of Duitse rekruteringsdienst te rade op het gemeentehuis, in de boeken van de Burgerlijke Stand. Maar veel gemeentebesturen en -ambtenaren werkten tegen en de registers vielen niet altijd ongeschonden in handen van de bezetter. Daarna riep de bezetter volledige jaarklassen op. De verplicht tewerkgestelden moesten eerst naar een verzamelplaats in Aken en vandaar naar kampen in Berlijn, Dresden of Maagdenburg waar de lokale werkgevers de nodige arbeiders kwamen kiezen.

Duizenden weigerden gevolg te geven aan de oproepingsbevelen en doken onder bij landbouwers of familieleden. De bezetter organiseerde wel razzia's naar de werkweigeraars. Dat gebeurde door de beruchte Zivilfahndungsdienst, die bijvoorbeeld heel wat ondergedoken arbeiders trof tussen de supporters bij zondagse voetbalwedstrijden.

Na de bevrijding keerden niet alle verplicht tewerkgestelden terug naar huis. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek rapporteert dat ongeveer 4.000 Belgen in Duitsland stierven en nog eens 2.000 Belgen die er vrijwillig gingen werken. Veel slachtoffers stierven bij de geallieerde bombardementen op de Duitse industrie of kwamen om van ontbering en ziekte. Tussen augustus '43 en juni '44 stuurde de Duitse overheid telkens een overlijdenstelegram naar de achtergebleven familie in België. Analyse van deze telegrams leerde dat er in die periode 1.225 Belgische werknemers stierven in Duitsland. 465 kwamen om door bombardementen, 143 na difterie en TBC, 119 door doding, 114 door werkongevallen en 105 na een hartziekte.

Ook Opwijk kende zijn 'vrijwillig' tewerkgestelden. Vanaf 1941 kreeg de gemeente erg regelmatig aanvragen voor een paspoort voor Duitsland binnen, hoofdzakelijk van (jonge) mannen, maar ook van een aantal meisjes en vrouwen. Zij lieten zich door mooie beloften verleiden en gingen naar Duitsland werken, doch na hun eerste verlof keerden ze niet naar Duitsland terug en ... doken onder. Enkelen kregen een opeisingsbevel, gaven er gevolg aan, doch ook dezen doken onder na hun eerste termijn in Duitsland.

Erg opmerkelijk is het aantal ziektemeldingen van tewerkgestelden bij hun verlof in Opwijk. De meesten wilden blijkbaar dus niet meer teruggaan. In de meeste gevallen stuurde de gemeente deze ziekteverklaringen door aan de bezettende overheid. In een aantal gevallen beklaagt de gemeente zich er over bij de overheid, dat zij moet opdraaien voor het onderhouden van vrouw en kinderen van tewerkgestelden waarvan er geen loon meer opgestuurd wordt.

Vast staat dat de meerderheid van die arbeiders vertrokken is, niet uit overtuiging, maar om de kost te verdienen, voor zichzelf en voor hun gezin. De Belgische arbeidsmarkt bood velen immers geen kans meer.

Van de opgeëisten voor verplichte tewerkstelling negeerden velen hun opeisingsbevel en kwamen dus ook terecht op de lijsten: 'Op te sporen personen - Huidig adres onbekend' van de Feldgendarmerie. De vele huiszoekingen, opsporingsacties bij dag en nacht, de pascontroles op kermissen, kaatsspel, danszaal,... liepen voor de Feldgendarmen haast altijd op een sisser uit. Alle Opwijkse ondergedokenen van toen, zijn nog die families dankbaar, waar zij slaapgelegenheid kregen (met alle risico's vandien). Wee dan diegenen die toch gesnapt werden!

286. Werklozen verwijderen onkruid tussen kasseien. Fotovergroting.
287. Krantenpubliciteit voor arbeid in Duitsland. Fotovergroting.
288. Les Hommes au Travail van 1 mei 1943, halfmaandelijks tijdschrift (Brussel, verspreid in Duitsland, Frankrijk, België), waarin ook een geïllustreerde rubriek 'Chez nos ouvriers en Allemagne' en een artikel 'Huit jours chez les «Déportés»'.
289. Duits pamflet 'Opeisching? Neen!! Solidariteit!'.

Men heeft het hierin over de 'nieuwe dienstplichtverordening'. In het pamflet worden de (beloofde) materiële, financiële en sociale voordelen in het geval van een vrijwillige dienstplicht in Duitsland nog eens opgesomd, maar wordt deze tewerkstelling in Duitsland ook voorgesteld als een zaak van sociale solidariteit. Vandaar de slotslogan: 'Gaat naar Duitschland, het land van het echte socialisme.'

290. Door de Duitsers uitgebrachte affiche waarop de arbeid in Duitsland zo mooi voorgesteld wordt. Toch bleef het overgrote deel van de publieke opinie steeds

heftig gekant tegen de verplichte tewerkstelling. (Reproductie)

291. Duits pamflet 'Er is arbeid voor allen., ook voor U!'. Met een gratis tombola en de belofte van een dik loon, hoopte men dat velen de weg zouden nemen naar één van de wervingsburelen waarvan de adressen onderaan rechts vermeld zijn.
292. Geallieerd pamflet Nederlands/Frans 'Gij kunt de nederlaag van Duitschland bespoedigen. Duitschland heeft niet genoeg menschen meer!', vermoedelijk afgeworpen door R.A.F.-vliegtuigen, waarin duidelijk en met aandrang opgeroepen wordt te weigeren te gaan werken in Duitschland.
293. Geïllustreerd tweetalig strooibriefje 'Duitschland heeft niet genoeg menschen meer. Waarom Duitschland gebrek heeft aan arbeidskrachten. Voor de mof te werken verlengt uw lijdensweg', waarschijnlijk door R.A.F.-vliegtuigen uitgestrooid.
294. Valse identiteitskaart, afgeleverd op 11 juni 1941 door de stad Luik, op naam van een zekere Henri Cox (waarschijnlijk een persoon die reeds overleden was), toebehorend aan Opwijkenaar Remi Vas-tenavondt (Coenstraat) - zie foto op de kaart.

Remi Vastenavondt (ongehuwd) verbleef, om niet opgenomen te worden door de Duitsers, gedurende ca. 2 jaar in de Ardennen, waar hij officieel werkte in de Cockerill-fabrieken te Seraing (zie cat. nr. 295), maar in werkelijkheid op het platteland bij een boer werkte en verbleef.

295. Tewerkstellingskaart -tweetalig Frans-Duits- waarbij de maatschappij John Cockerill (wapenf abri kant) te Seraing verklaart dat de zekere Henri Cox deel uitmaakt van haar personeel. Met deze kaart en met de valse identiteitskaart (cat. 294) kon Remi Vastenavondt ontsnappen aan opeising om verplicht in Duitsland te gaan werken. Op de buitenzijde van het document staat 'La présente attestation est remise au titulaire pour lui permettre de justifier ïemploi qu'il occupe, conformément aux stipulations du para-graphe 4, du chap. 2, de l'ordonnance allemande du 6-10-1942'.
296. 'Letzte Vorladung' (Laatste herinnering) dd. 12 mei 1943, aan Mazelaar Jan Heu-ninckx, om zich op maandag 17 mei te melden bij de Ober-Feldkommandantur (Brussel). De oproeping van Jan bleek naderhand een 'administratieve' vergissing te zijn.
297. Getuigschrift van betrekking, van Leo De Nil (Mazenzele), uitgereikt op 21 augustus 1940.

Leo was volgens deze kaart tewerkgesteld bij de S.A. Meunerie (Molens) De Voghel, Industriekaai 153 te Brussel. Hij moest minstens 48 uur per week in de onderneming te werk gesteld zijn. Op de kaart ziet men de stempel en de paraaf tot geldigheidsverlenging, respectievelijk tot 31 maart 1944 en 30 juni 1944.

298. Werkbewijs, uitgereikt aan Leo De Nil, door het organisme 'Dienstbetoon aan Gezinnen door Oorlog geteisterd v.z.w.' dat 'werkt onder toezicht en met subsidies van het Commissariaat Generaal van 's Lands Wederopbouw en voor rekening van het Nationaal Steunfonds voor Geteisterden'.

Dit bewijs werd afgeleverd te Brussel op 22 juli 1944.

299. Kaart van werkweigeraar, verleend aan Leo De Nil, met datum 11 juli 1951.

Bij Koninklijk Besluit nr. 560 van 20 december 1951, wordt aan Leo De Nil de Medaille van Werkweigeraar verleend. Brevet verleend door Minister van Wederopbouw en uittreksel uit het Staatsblad van 7 februari 1952.

300. Informatieblad voor de arbeidskrachten die naar Duitsland trokken 'Mededeelin-gen voor de arbeiders (arbeidsters) en kantoorbedienden uit België', in drie talen (Duits, Nederlands, Frans), met gedetailleerde uitleg over de bepalingen inzake deviezenverkeer en overschrijving van loonspaargelden.

Kredietbank richtte reeds in het begin van augustus 1940 een afdeling 'Belgische werklieden in Duitsland' in, om de geldoverschrijvingen naar België van landgenoten die in Duitsland waren tewerkgesteld, uit te voeren. Van augustus 1940 tot 1941 (vrijwillige tewerkstelling) werden in dit verband slechts gemiddeld 13.500 overschrijvingen per maand verwerkt.

In de maand april 1943 (dus enkele maanden na de invoering van de verplichte tewerkstelling in Duitsland) werden reeds niet minder dan 119.000 weddeoverschrijvingen van Duitsland naar België verwerkt, en dit aantal nam daarna nog toe.

301. 'Lohn-Abrechnung' (gedetailleerde loon-afrekening) voor de maand oktober 1943 van een zekere Joseph Meert, met vermelding van het aantal gewerkte uren en overuren, bruto en netto loon, de diverse afhoudingen,... Hij was tewerkgesteld bij de papier- en cellulosefabriek Feldmühle te Heidenau.
302. Vrijstellingsbewijs voor tewerkstelling in Duitsland voor Jan Bieseman (Doortstraat), gegeven te Brussel op 4 april 1944, geldig tot 30 sept. '44,.

Opwijkenaren verplicht aan 't werk in Duitsland

303. 'Überweisungsschein Nr 1' (overschrijvingsbewijs) van Opwijkenaar Jan Phile-mon De Wael (Eeksken), die van april

1943 tot mei 1945 verplicht tewerkgesteld was in Duitsland, aanvankelijk in een munitiefabriek in Göttingen en vanaf september 1944 in een zoutmijn van Volprie-hausen.

304. Een andere verplicht tewerkgestelde in Duitsland was Mazelaar Pierre Huybandt. Wij zien hier van hem:

-

verklaring van een dokter en van de Mazelse burgemeester dd. 10-4-'43., dat hij ernstige gezondsproblemen kent (een poging om Pierre thuis te houden)

-

reispas 'alleen voor Belgische werklieden die in het buitenland gaan werken',afgeleverd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid op 24-25 juni 1943, geldig voor 2 jaar.

-

een schoenenherstelbon

-

uittreksel uit verslagboek van de Studiekring, die Pierre steunde, 13 maart '44.
305. Leon Vlassenrood (° Opwijk 9-12-1924) uit de Nanovestraat werd -amper 18 jaar oud-opgepakt en verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Hij werd er met een bombardement gedood Frankfurt a/Main op 5 november 1944.

Van hem zien wij hier:

- een 'Arbeitskarte', uitgereikt te Frankfurt a/Main op 27 augustus 1943
- een 'Vorlaufiger Fremdenpass' (voorlopig vreemdelingenpaspoort, voor het Duitse Rijk en België), uitgereikt te Frankfurt a/Main op 3 februari 1944
- een 'Dienstausweis', afgeleverd te Ep-pelsheim op 14 oktober 1944
- een 'Brot-Sonderkarte', goed voor extra rantsoenen brood
- het persoonlijk kerkboekje van L. Vlassenrood. De familie schreef er later in: '1 mei 1945 is dat teruggekomen uit Duitsland'.
- persbericht 'Gedeporteerde ten grave gedragen te Opwijk'
- een bidprentje
- enkele brieven van en naar Léon, 1943-'44. Bemerk ook de briefomslag van België naar Duitsland met de sluitband waarop gedrukt 'Geöffnet'
-

uitnodigingskaart vanwege de Provinciegouverneur aan de fam. Vlassenrood voor een plechtigheid op 7 december .. op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek, ter herinnering van de Belgen in Duitsland overleden en wier lijken gerepatrieerd werden.

Kopie ter inzage

Klokkenroof

Het weghalen van de klokken was geen nieuwigheid met WO-H. In Opwijk bij voorbeeld en in gans het graafschap Vlaanderen waartoe Opwijk in die tijd behoorde, gebeurde dit reeds in het jaar 1578 op bevel van de Commissarissen van Gent. Men had brons nodig om er kanonnen mee te gieten. In het laatste kwartaal van de 17de eeuw was het gevaar voor klokkeroof door de oorlogsvoerende partijen zo permanent aanwezig dat schier geen jaar voorbij ging of de klokken moesten in aller haast uit de toren gehaald worden om ze te verstoppen. Een klokkenroof gebeurde ook tijdens de Franse periode, door de Sansculotten, op het einde van de 18de eeuw. Toen werden uit de kerk van Opwijk drie klokken weggehaald.

In 1914-'18 lieten de Duitsers de klokken in onze bezette gebieden met rust.

Een klokkeroof deed zich wel voor de zoveelste keer voor tijdens de tweede wereldoorlog. Reeds tijdens de maand juli van het jaar 1941 had de Militarverwaltung bevolen een inventaris op te maken van de klokken die zich in de kerken en kapellen van ons land bevonden. In deze inventaris moest vermeld worden of de klokken van brons, staal of aluminium waren. Gewicht en ouderdom moesten eveneens worden opgegeven. Het gemeentebestuur van Opwijk stuurde zo op 23 oogst vier tabellen, één per kerk of kapel (dus ook voor de kapel van 't klooster?), met de gevraagde gegevens van de aanwezige klokken. Volgens de bezetter was er geen reden tot paniek. Het ging slechts om een inventarisatie. Kardinaal Van Roey zag de zaken somberder, en protesteerde met klem, echter tevergeefs.

Op 30 oktober van het zelfde jaar ontving de Kardinaal de mededeling dat de klokken in het Rijksgebied en in de bezette gebieden door de Duitse legerleiding zouden in beslag genomen worden. Werden (in principe) vrijgesteld van inbeslagneming: één klok per parochie, de klokken die tot een klokkenspel behoorden en de klokken die een historische (klokken van vóór 1730) of artistieke waarde hadden. Diezelfde avond evenwel werd de inbeslagneming opgeschort, met het verzoek aan de Kardinaal het bezoek van die ochtend te vergeten en het overhandigde document geheim te houden.

Op 12 februari 1943 kwam dan uit Berlijn het uitdrukkelijke en definitieve bevel dat zonder verwijl tot de inbeslagneming zou worden overgegaan 'gezien de onomkeerbare noodwendigheden van de oorlog'. De bezetter liet er geen gras over groeien. Gedurende de volgende weken inspecteerden Duitse officieren de kerken en organiseerden de klokkenroof. Maar ook Kardinaal van Roey liet zich niet onbetuigd. In alle kerken van het land liet hij een brief voorlezen, waarin hij samen met zijn collega's van het Belgisch episcopaat, scherp protesteerde tegen de klokkenroof.

De eigenlijke inbeslagneming van de klokken verliep in spoedtempo. Op 15 december 1943 waren volgens de Duitse lijsten 2.820 Belgische klokken opgeëist, met een gezamenlijk gewicht van 2.390.649 kg. Eind juli 1944 waren het er 4.568 klokken, samen goed voor 3.794.225 kg. Het snelle geallieerde offensief en het gebrek aan vervoermiddelen verhinderden de Duitsers alle in beslag genomen klokken mee te nemen. Na de oorlog werden in België nog 373 klokken teruggevonden, waarvan helaas geen enkele Opwijkse of Mazelse.

De 4.568 klokken die door de Duitse bezetter waren geconfisceerd zouden echter nooit tot wapens worden gesmeed. Het personeel van de Cockerillfabriek in Hoboken legde het Duitse bevel om de klokken te smelten halsstarrig naast zich neer...

306. Weghalen van de klokken van de St.‑Goedele te Brussel, mei 1943. Fotovergroting.

Klokkeroof in Opwijk en in Mazenzele

In het verslag van de Kerkfabriek van Mazenzele, dd. 2 juli 1943 vinden we volgende zakelijke mededeling: 'Op donderdag 1 juli 1943 werd uit den toren van Mazenzele de kleine klok weggehaald.'.

Het is duidelijk dat de beroering omtrent dit gebeuren wel minder zakelijk zal zijn geweest dan bovenstaande regels. In een artikelenreeks, verschenen in 'Mazels parochieleven' van 22 januari tot 15 april 1956, schreef Leo De Nil dat honderden mensen in de toren klauterden om de klok nog eens te gaan bekijken en dat, eenmaal de klok uit de toren gehaald, ze door liefderijke handen met bloemen en linten werd versierd.

Het moet er in Mazenzele echter, in vergelijking met bv. Opwijk, toch nog vrij rustig aan toegegaan zijn. Broeder Jan Ringoot, geboren Opwijkenaar († 20-3-1991), heeft in een van zijn sappige verhalen de 'volksopstand' beschreven die met het weghalen der drie Opwijkse klokken gepaard ging. Het weghalen te Opwijk begon op de zaterdag van Opwijk Kermis, 26 juni 1943 door aannemer Van Campenhout, enkele dagen eerder dus dan in Mazenzele. De derde klok werd weggehaald op 29-6-43. Het verzet was zo sterk, dat Duitse soldaten ter plaatse kwamen, enkele aanhoudingen verrichtten, en uiteindelijk drie mensen opsloten in de gevangenis van St.‑Gillis (Brussel), met name onderpastoor Van Hemelrijck, Leo Meersman en André Semal. Zij werden na enkele dagen vrij gelaten.

In het boek van de beraadslagingen van de kerkfabriek van Sint-Paulus Opwijk noteert de secretaris op de vergadering van 4 juli 1943: 'Allerlei besprekingen komen ten berde, onder andere het wegnemen der klokken, de hierbij veroorzaakte schade, de opname van het klokkengelui. Een verslag dient opgemaakt van de veroorzaakte schade en ingezonden naar het Bisdom. Mijnheer Stanislas De Smedt, architect, zal de schatting doen en het verslag opmaken.'

Dat uit de kerk van Droeshout en van Nijverseel geen klok gestolen werd is logisch: beide parochies hadden in 1941-'43 elk slechts 1 klok in hun toren hangen.

De verwijdering van de klok uit de toren van Mazenzele gebeurde niet zonder schade. Pastoor Willems (Mazenzele 1938-'54), noteert in het boven geciteerde verslag van de Kerkfabriek dat hij 'met den heer De Coninck, voorzitter van het kerkbureel, en den heer Bauwens, lid, de toegebrachte schade (is) gaan bestatigen'. Zij stelden het volgende vast:

'1° al den afbraak (steenen en planken) zijn ter plaatse blijven liggen

2° het orgel werd gansch met stof overdekt en de pijpen vol stof

3° een groote opening werd in het gewelf gemaakt om de klok door te laten - en een deel plankenvloer opgebroken - niets hersteld

4° een schutsel van het orgel werd verplaatst en niet terug vastgemaakt.'

Beslist werd de schade voorlopig niet te herstellen maar wel 'door stielmannen' te laten schatten.

Uit het zelfde verslag vernemen we ook nog dat de ploegbaas, toen de werklieden gingen vertrekken met de klok, aan de pastoor vroeg 'een bewijs te ondertekenen, verklarend dat er uit de kerk niets werd weggenomen en dat er bij het wegnemen der klok geen schade werd aangebracht'. Wat de pastoor weigerde.

In maart 1948 werd door de bevoegde overheid de toelating gegeven de weggehaalde Mazelse klok te vervangen. Dit gebeurde echter pas in 1951. De wijding ervan door de Opwijkenaar Mgr. De Smedt vond plaats op 11 maart 1951. Op de klok staat: 'Ter ere Gods in naam en voor het volk van Mazenzele zing ik weer vrij het lied dat stom viel op 1-7-1943'.

Ook op de nieuwe klokken van Opwijk vinden we een verwijzing naar de gebeurtenissen uit 1943. Op de St.‑Jozefsklok staat: 'Ik kom in de plaats van die andere Jozef die de Duitsers met geweld roofden in het jaar 1943'. Op de Paulusklok: 'Van de patroon van deze kerk ben ik de bronzen stem, die in 1943 door de vijand werd uitgedoofd'. Op de Mariaklok, die in 1977 barstte en in 1979 werd vervangen, stond: 'In het jaar 1943 met geweld door de vijand geroofd terwijl de gelovigen van Opwijk zich sterk verzetten'.

De drie nieuwe klokken werden -net als de nieuwe Mazelse- gegoten door Michiels uit Doornik. Zij werden reeds op 25 juli 1948 gewijd door Mgr. Schoenmaeckers.

In samenwerking met de interministeriële commissie voor het behoud van de klokken (opgericht met goedkeuring en steun van Kardinaal Van Roey) legde de Belgische Documentatiedienst van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis een collectie foto's aan van de opgeëiste klokken. De foto's werden opgenomen in het 'Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, provincie Brabant, Kanton Asse', door Denis Coekelberghs, Jaak Jansen en Wilfried Janssens, een uitgave van het Ministerie van Nederlandse cultuur -Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 1979.

307. Aantekeningen van details op de Mazelse klokken, die Jan Heuninckx en zijn broer Maurits en Leo De Nil maakten bij de aanvang van de oorlog, indachtig de klokkenroof in vorige oorlogen.
308. Opstel 'Klokkeroof' door Jan Ringoot in Ons Opwijk, uitgegeven door VTB-VAB Opwijk in 1985.

Jan Ringoot vertelt hierin ook dat die dag in Opwijk een kindje werd gedoopt, Godelieve Bosman. In het doopregister staat bij de vermelding van dit doopsel het volgende opgetekend: '29.VI.43. Terwijl dit kindje zijn intrede deed in de kerk door het doopsel, werd de groote klok buitengebracht ten aanschouwen van de geloovigen die gekomen waren om het lof bij te wonen op St.‑Petrus en Paulusdag, maar het lof had geen plaats.' Ondertekend J. Van Hemelrijck, onderpastoor, en L. Geeurickx, koster.

Kopie ter inzage

309. Fotovergrotingen van de gestolen klokken van Opwijk op een opslagplaats, 1943. Bemerk de merktekens en de namen van Opwijkenaren op de klokken.
310. Fotovergrotingen van de gestolen klok van Mazenzele op een opslagplaats, 1943.
311. De klokkeroof in Mazenzele 1 juli 1943 Artikel door Jules Van de Velde in HOM-tijdschrift 1993-2, p. 7-12.

Kopie ter inzage

Oorlogspropaganda

Duitse propaganda

312. Brochure met de Nederlandse tekst van de rede van Adolf Hitler op 4 september 1940 bij de opening van het winterhulp-werk 1940-'41.
313. Duits spotpamflet 'Professor Isaak Pierlotski. Belgisch patriot'.
314. Affiche 'Die Kinder von Antwerpen'.

Uitgebracht na het moordend geallieerd bombardement op Mortsel van 5 april 1943. (Reproductie)

315. Affiche 'Het doodenwoud van Katin'. (Reproductie).
316. Affiche anti-Groot-Britannië 'Das Scharze Korps'.
317. Brochure met de Nederlandse tekst van de rede 'De Kamp voor de Vrijmaking van Europa' door 'den rijksminister van Buitenlandsche Zaken' op 26 november 1941.
318. Brochure met de nederlandse tekst van de rede van 'den Fuehrer en Rijkskanselier' Adolf Hitler in de Duitse Rijksdag op 11 december 1941, over 'Franklin

D. Roosevelt's schuld aan den oorlog'.

319. Signal, half-maandelijks weekblad, 'Edition spéciale de la «Berliner illustrierte Zeitung»', 1ste nummer april 1941.
320. Enkele nummers van 'Stemmen uit Duitschland', 1941, '42 en '43.
321. Geïllustreerde brochure 'Wie wint den oorlog?', afgestemd op Nederlandstalig België, waarin de Duitsers met hun visie en met statistieken en kaart- en cijfergegevens over de toestand op de verschillende fronten, de bevoorrading en de economie, trachten de lezer te overtuigen dat Duitsland de oorlog zal winnen.

De brochure wordt ingeleid met de tekst 'De kaarten, statistieken en cijfers, vervat in deze brochure, geven den wereldtoestand op 31 Maart 1942 weer.

Sedertdien hebben zich reeds veel veranderingen voorgedaan.

Maar deze veranderingen vinden hun verrechtvaardiging in den toestand van voor het begin der offensieven.

Deze bladzijden doen U dus een uitleg aan de hand van de gebeurtenissen van het jaar 1942.'

Of hoe er voor alles een uitleg is...!

322. In de geïllustreerde folder 'Worden de Duitschers nerveus?', wordt getracht de lezer de overtuigen van de Duitse militaire superioriteit en de geringe slaagkansen van een geallieerde invasie, o.m. met commentaar en foto's van de geallieerde landingspoging (of -oefening?) bij Dieppe.

Bemerk de stempel van het 'Vlaamsch Nationaal Verbond' (VNV).

323. Geopend nummer van Signal (F), 1ste nummer december 1943, waarin getracht wordt de vergelijking van de Duitse situatie van 1918 met deze van 1943, te weerleggen.
324. Duitse sticker '30.000.000 de tonnes coulées', 1943.
325. Duitse propagandabrochure 'Laat U niets wijsmaken. Het Kommunisme? Zóó slecht is dat niet!', verspreid begin 1944.
326. Affiche 'Een verhaal voor groote men-schen' of de Duitse verleiding. (Reproductie)

Deze SS-affiche werd verspreid in 1944. In een wat ongewone stripverhaal-vorm wordt het verhaal verteld van een arme, slecht behandelde Vlaamse arbeider die beslist naar Duitsland te gaan werken, daar heel goed behandeld wordt, zich laat inlijven bij de SS, triomfeert aan het Oostfront en terug thuiskomt bij zijn gezonde, goed doorvoede en gelukkige familie. Een bevreemdend wat naïef document, want toen deze affiche in 1944 verscheen, probeerden de meeste op-geëisten op alle mogelijke manieren de verplichte tewerkstelling te ontlopen en waren de Duitsers door het Rode Leger al tot in Polen teruggeslagen.

327. Geopende bladzijden van een extra-nummer van Signal , 'Warum Deutschland nach England schiesst', juni 1944 of later, waarin de Engelse en Amerikaanse bombardementen op Duitse burgerlijke doelwitten scherp aan de kaak gesteld worden. Moet dit blad een soort rechtvaardiging van het gebruik van V-wapens tegen Engeland voorstellen?
328. Duitse anti-Amerika brochure 'U.S.A. De grootste democratie'.
329. Geopende bladzijden van het Duits propaganda-fotoboek 'Duitsche Jeugd' (Nederlands), waarin ook een korte historiek en de organisatie van de Hitler-Jugend en aanverwante organisaties, van Hildegard Tapken, uitgeverij Steenlandt, Brussel.

Geallieerde propaganda

330. Pamflet 'Anglo-Amerikaansche verklaring betreffende de Oorlogs Doelen', afgeworpen door geallieerde vliegers, waarin de resultaten en de conclusies van de bespreking tussen de Amerikaanse president Roosevelt en Churchill op 14 augustus 1941 uitgelegd worden. Onderaan lezen we 'Wat deze historische verklaring voor eiken Belg beduidt'.
331. Exemplaar van 'Luftpost' (Duitstalig), 15 juli 1941, afgeworpen door de Engelse RAF. Bedoeld voor Duitsland, maar vele exemplaren kwamen boven België terecht.

Bemerk de slogan rechtsboven 'Verboten überall, wo die Wahrheit verboten ist'. Linksonder staan de golflengten en de uren van de Duitstalige Engelse radio 'Londener Rundfunk'.

332. Brits pamflet 'Portret van een vriend der Belgen' - 'De jongens in de Britsche bommers groeten U'.
333. Enkele exemplaren van het weekblad 'L'Amérique en Guerre' ('apporté au peuple Belge par l'Armée de l'Air Américaine'), 12 en 19 jan. '44. Er bestond ook een 'Vlaamsche' uitgave.
334. Enkele nummers van het tweetalige weekblad 'De Regenboog'-'L'Arc en Ciel' ('aan het Belgische Volk gebracht door

de Luchtmacht der Vereenigde Natieën'), februari, maart, juli '44

335. Enkele nummers van 'De Vliegende Hollander', de Nederlandse versie van 'De Regenboog' (7 en 10 mei '45).
336. Pamflet 'Von der Maas bis an die Memel...', in het Duits, vermoedelijk afgeworpen door de Engelse luchtmacht RAF. Er wordt in verwezen naar de huidige mogelijkheden van de geallieerde bombardementen in Duitsland (keerzijde) en naar de invoering van het bevrijdings-V-teken. Ten behoeve van de Franse, Italiaanse, Nederlandse (en Vlaamse) en Poolse arbeiders in Duitsland wordt de symbolische betekenis van het V-teken nog eens herhaald in hun eigen taal.
337. Pamflet 'Ich fühle mich so frisch. Es kommt der Frühling.' afgeworpen door de Engelse luchtmacht RAF. Hierin wordt het Duitse volk geconfronteert en herinnert aan bepaalde beloften en vroegere uitspraken van hun leiders.

www.heemkringopwijk.be - Print:
© Heemkring Opwijk-Mazenzele (HOM) 1999-2010 

 

Door een bezoek aan de site van de adverteerder (klikken op deze banners) en eventueel met de adverteerder te handelen ontvangt de HOM een kleine vergoeding die gebruikt wordt voor de instandhouding (domeinnaam, hosting, ...) en de uitbreiding van deze website. Beste dank hiervoor.
De externe pagina opent zich in een nieuw venster. Om terug te keren naar de HOM-pagina: klik op de X van de browsertitelbalk (uiterst rechts boven).
De publiciteitsbanners en deze tekst worden niet afgedrukt.