Open Monumentendag 2006 (zondag 10 september)


 

Thema: Import/Export, of de begrippen 'eigen' en 'vreemd'.

Nu onze wereld meer en meer één dorp wordt, is de uitwisseling met andere culturen nog overweldigender dan ooit. Maar contacten 'met den vreemde' zijn van alle tijden, ze zijn ons dus eigenlijk 'niet vreemd' maar 'eigen'. En toch leiden contact en uitwisseling vaak tot een ambigue houding. Enerzijds is er de nieuwsgierigheid, het aftasten en vergelijken van de zeden en gewoonten aan de andere kant. Anderzijds steken vaak bekommernissen om de eigen identiteit, chauvinisme en patriottisme de kop op. Contact kan dus evengoed leiden tot conflict als tot wederzijdse culturele verrijking. In alle geval leidt de confrontatie van gemeenschappen tot een wederzijdse beïnvloeding, bewust of onbewust, en van die invloed zijn sporen terug te vinden in kunst en cultuur. Kunst en cultuur spelen trouwens een nauwelijks te overschatten rol in de omschrijving van de eigenwaar- de, de identiteit en de zingeving van een gemeenschap. En dan doet het er niet toe welke 'vreemde' of 'buitenlandse' elementen vergroeid zijn met het 'eigene'.

Precies rond de begrippen 'eigen' en 'vreemd' is de Open Monumentendag 2006 opgebouwd. Het thema laat toe op een originele en indringende manier te kijken naar ons erfgoed en te onderscheiden wat aan onze cultuur 'vreemd' is, en dus geïmporteerd werd, en wat 'eigen' is, en dus potentie heeft om geëxporteerd te worden of misschien al geëxporteerd werd. Even boeiend is het verhaal achter die interactie. Hoe kwamen die invloeden hier terecht en vermengden ze zich met het lokale of hoe handhaafden ze juist hun uitheems of internationaal karakter? Wat was de bijdrage van onze voorouders aan die wereldwijde wisselwerking? We breiden onze monumentale horizon dus grenzeloos uit en gaan op zoek naar de inspiratiebronnen van ambachtslui, kunstenaars en technici die het onroerend erfgoed hier bij ons vorm gaven.

Bij de begrippen 'eigen' en 'vreemd' spelen in de eerste plaats de huidige en vroegere grenzen een belangrijke rol. Nu denken wij onmiddellijk aan onze landsgrenzen, maar vroeger was die afbakening nog veel enger en diende men rekening te houden met de grenzen van parochies, heerlijkheden, gemeenten en provincies. Van deze grenzen waren die tussen dorp en stad ooit de meest belangrijke. De landsman was gebonden aan de grond die hij bewerkte en onderworpen aan de plaatselijke heer. Een stadsbewoner was een vrij mens en had veel meer initiatiefmogelijkheden. De steden hadden ook een eigen bestuur met een eigen rechtspraak. Om de landsgrenzen werd geregeld gevochten, want daar speelden hogere, vaak dynastieke belangen. Maar ook de eigen gemeentegrenzen waren en blijven voor vele mensen heilig. Denken we maar even terug aan de soms fanatieke manier waarop vele mensen reageerden, toen in de jaren zeventig van vorige eeuw de gemeentefusies een feit werden.

Eerst waren er de natuurlijke grenzen, zoals rivieren, kloven, bergen, moerassen, enz. Later ging de mens bepaalde terreinen en gebieden afbakenen met grote stenen, de grensstenen of -palen.
En waar er grenzen zijn, komen er grensconflicten, grenswijzigingen en soms zelfs grensafschaffingen.

De Merovingische en Karolingische administratie (in het Frankisch rijk) nam de bestaande territoriale afbakening uit de laat-Romeinse tijd zonder grote wijzigingen heeft over. De kerkelijke omschrijvingen (bisdommen, decanaten) namen de Romeinse administratieve indelingen (civitas, pagus) als grondslag.

Opwijk en Mazenzele lagen in den Pagus Bracbantensis, het Graafschap Ukkel-Brussel, een gouw van de Civitas Nerviorum, het Nervische land, overeenkomend met het Aartsdecanaat Brussel in het Bisdom Kamerijk (Cambrai). Bij een normaal verloop zouden we dan, in de latere middeleeuwen, Opwijk moeten terugvinden in de Ammanie Brussel en het Hertogdom Brabant.

De territoriale evolutie van het Frankisch rijk is erg gevarieerd, door het Frankisch erfrecht, dat de verdeling van de bezittingen van de overledenen koning onder zijn zonen voorzag. De Romeinse indelingen in provincies bleven de grondslag voor ( kerkelijke, en aanvankelijk ook de bestuurlijke grenzen: Belgica Secunda werd Neustrië, Germania Secunda (van de Kempen tot Rijn en Moezel) werd Austrasië.
Tijdens het grootste deel van de zesde eeuw en ook daarna vormden beide gewesten één geheel, maar na de verdeling van het eenheidsrijk van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome tussen deze laatste zijn drie zonen in 843 (verdrag van Verdun) werd voor bijna tien eeuwen langs (grosso modo) de Schelde een grens getrokken tussen aanvankelijk West-Francië (Franse rijk) en 'Francia Media' (Middenrijk van Lotharius) en enkele decennia later. Met het verdrag van Meerssen (870, na de dood van Lotharius II in 869) werd het noordelijk deel van 'Francia Media' (Nederlanden, Elzas en het huidige Lotharingen) verdeeld tussen West-Francië (Frankrijk) en Oost-Francië (Duitse rijk). Met het verdrag van van Ribemont in 880 (wordt de westelijke helft van Lotharingen bij het Duitse rijk gevoegd. Lotharingen maakt nu volledig deel uit van Duitsland en de oude grens van het Verdrag van Verdun scheidde opnieuw Francia orientalis en Francia occidentalis.

Door deze verdeling in de 9de eeuw van het aanvankelijke Frankische rijk zou het latere graafschap Vlaanderen voor bijna tien eeuwen behoren tot het koninkrijk Frankrijk en het hertogdom Brabant tot het Duitse keizerrijk. Deze verdeling heeft, naast diepgaande politieke effecten, ook vergaande culturele verschillen met zich meegebracht.

Op het einde van de 9de-begin 10de eeuw, na de volledige ontreddering van het rijk, was door de Karolingische vorsten, ten einde de streek te beveiligen tegen nog eventuele strooptochten van de Noormannen, het Land van Dendermonde opgericht ter verdediging van de Schelde en het aanpalend gebied. Het was een vrij allodiaal goed langsheen de Schelde, dat geprangd zat tussen het Land van Waas en het Land van Aalst. De Schelde vormde hier de grens tussen het Duitse en het Franse rijk. Het Land van Dendermonde, waarvan de verdediging werd toevertrouwd aan de kasteleinen van Gent en hun afstammelingen de heren van Dendermonde-Bethune, zou ca. 1245 door het huwelijk van Mathilde van Bethune met graaf Gwijde van Dampierre rechtstreeks grafelijk bezit worden.
Opwijk kwam in dit 'Land van Dendermonde' en dus in het graafschap Vlaanderen terecht. Mazenzele daarentegen bleef (samen met Asse zelf, Baardegem, Meldert, Essene, Mollem, Hekelgem-Affligem en gedeeltelijk Bollebeek) bij het 'Land of de Heerlijkheid van Asse', in het hertogdom Brabant.

Opwijk (in het Land van Dendermonde, in het Graafschap Vlaanderen dat een leengoed was van het koninkrijk Frankrijk) was dus eeuwenlang feitelijk 'buitenland' (of 'den vreemden') voor de huidige deelgemeente Mazenzele (in het Land van Asse, bij het Hertogdom Brabant dat behoorde tot het Duitse Roomse keizerrijk). En natuurlijk ook omgekeerd. Pas vanaf de 15de eeuw kwamen Brabant (en dus ook Mazenzele) en Vlaanderen (met Opwijk) onder dezelfde vorst. Maar de administratieve splitsing (Vlaanderen en Brabant) bleef wel bestaan tot het einde van het ancien régime (1794).

Wie over import en export spreekt kan uiteraard niet voorbijgaan aan de vervoersinfrastructuur. De Romeinen waren niet de eersten om het belang van een degelijk wegennet te onderkennen, maar de kwaliteit van hun wegennet was wel uniek en werd eeuwenlang niet meer geëvenaard. Pas op het einde van de 17de eeuw-begin 18de eeuw werden steenwegen aangelegd te vervanging van onze eeuwenoude heerbanen naar Brussel, Dendermonde, Aalst, Mechelen,... Naast de landwegen speelden vooral de waterwegen (Dender en Schelde) en later (2de helft 19de eeuw) de spoorwegen een belangrijke rol bij het transport over langere afstanden.

Import had in onze streken ook een sterke invloed op de architectuur en de kunsten. De romaanse, gotische, renaissance-, barok- en classicistische stijlinvloeden, werden weliswaar op een eigen manier geïnterpreteerd, maar kwamen toch wezenlijk via de kerken, kloosters, vorstenhoven en rijke handelaars en grootgrondbezitters van elders onze gewesten binnengesijpeld. Voor de bouw van onze monumenten deden onze voorouders beroep op bouwmeesters en ambachtslui 'uit den vreemden'. Ook de bouwtechnieken werden vaak geïmporteerd. En ook veel bouwmaterialen zoals (natuur)steen voor de muren, leien voor de daken, marmer voor de vloeren, ijzer en lood voor diverse uitvoeringen,... werden ingevoerd.

Ook de belangstelling voor het exotisme liet duidelijk sporen na in de architectuur en de sierkunsten van de 19de en begin 20ste eeuw. De tuincultuur volgde dezelfde weg, met beïnvloeding vanuit Italië, Frankrijk en Engeland. In kasteel- en burgerstuinen werden sedert de 19de eeuw ook allerlei exoten aangeplant zoals de Japanse notenboom, de ceder, de Japanse sierkers, de trompetboom en zelfs de sequoia, waarvan er ook in Opwijk exemplaren groeien.

Ook de christelijke godsdienst is uiteindelijk een uit het Nabije Oosten ingevoerd product. Hoewel Rome uitgroeide tot de hoofdstad van de christenheid, behield Jeruzalem door de eeuwen heen een grote aantrekkingskracht. Pelgrims brachten naar het geboorteland grond van de calvarieberg, druppels van het H. Bloed, een stukje van het kruishout of een doorn uit de doornenkroon. Zowat alle heiligen in onze kerken en kapellen zijn 'vreemden'. Hetzelfde geldt voor de heiligentaferelen die wij zien op schilderijen en beelden: de doop van Jezus in de Jordaan (huidige Israël en Jordanië), Christus in Jeruzalem (in de Hof van Olijven, op de Calvarieberg (Golgotha),...), Sint-Pieter in een gevangenis te Rome, Sint-Paulus (van Tarsus, Cilicië in Turkije) op weg naar Damascus (Syrië), Paulus op de Aeropaag te Athene (Griekenland), Sint-Rochus (Montpellier, Frankrijk) op weg naar Compostella (Spanje), de H. Nicolaas van Myra (Klein-Azië, huidige Aziatisch Turkije) na de slag te San Romano (noord Toscanië, Italië),...

Maar het is niet allemaal import: uit onze dorpen was er ook, via missionarissen, enige 'export' naar o.a. Congo en Japan.

Import/Export van ons collectief erfgoed.

In 1926 werd in de Mazelse Sint-Pieterskerk een nieuwe kruisweg opgehangen.

Enkele decennia later schonk parochiepastoor W. Vanackere (1954-1975) hem aan de Mazelse missionaris William Michiels (° Mazenzele 31-05-1927, scheutist) voor zijn missiepost in Japan.

Foto hierboven: de 14 staties van de kruisweg (met afbeeldingen 'uit den vreemden' -Jeruzalem-) die vanuit Mazenzele geëxporteerd werd naar een kerk in Japan.

Foto links: de vijfde statie van de Mazelse kruisweg 'Simon van Syrene helpt Jezus het kruis dragen' in de Japanse kerk.
De naam van de Mazelse schenkers op de kaders werd overschilderd, maar bleef op sommige staties leesbaar (de 5de statie: fam. De Cock-Verspecht).
Bemerk het Japans opschrift bij elke statie.


www.heemkringopwijk.be - Print:
© Heemkring Opwijk-Mazenzele (HOM) 1999-2010 

 

Door een bezoek aan de site van de adverteerder (klikken op deze banners) en eventueel met de adverteerder te handelen ontvangt de HOM een kleine vergoeding die gebruikt wordt voor de instandhouding (domeinnaam, hosting, ...) en de uitbreiding van deze website. Beste dank hiervoor.
De externe pagina opent zich in een nieuw venster. Om terug te keren naar de HOM-pagina: klik op de X van de browsertitelbalk (uiterst rechts boven).
De publiciteitsbanners en deze tekst worden niet afgedrukt.