|
(p. 2) I.4. Enkele
kengetallen
De informatie over
tewerkstelling (1991), werkloosheid (1996), bodembestemming
(1977) en prijzen woningbouw (1994) is verouderd en moet
geactualiseerd worden.
(p. 7-8) II.1.3.
De andere classificatie
van de weg N47 in het ruimtelijk structuurplan Oost-Vlaanderen
en Vlaams-Brabant schept planningsonzekerheid.
(p. 8) II.1.4.1.
Item voor het bufferbekken langs de
Brabantse beek.
(p. 10) II.1.4.1. Bijzondere
plannen van aanleg
Verwijzing naar kaart 10:
situering bijzondere plannen van aanleg.
Kaart nr. 10 ontbreekt in het
document ORSO (versie april 2002) dat ter inzage lag op het
gemeentehuis in het kader van het openbaar onderzoek en in de
exemplaren die aan de geïnteresseerde burgers verkocht werden.
(p. 12) II.1. Beschermde
monumenten en landschappen
Ontbreken cultuurhistorische
waarden
Opwijk wordt gekenmerkt door
verschillende gebieden met een bijzondere cultuurhistorische
waarde. Nergens werd in het vooronderzoek, in het vaststellen
van kernpunten en in het aanreiken van concrete voorstellen
rekening gehouden met deze cultuurhistorische waarde.
Dit wordt erg duidelijk wanneer op p.
12 een overzicht wordt gegeven van het beschermd patrimonium
van de gemeente Opwijk. Ondanks de verplichting voor de
gemeente om te beschikken over een lijst van beschermde
monumenten, landschappen en dorpsgezichten is men er niet in
geslaagd een overzicht te geven van het beschermd patrimonium.
De Sint-Rochuskapel (zgn. Kintskapel) komt niet voor in de
lijst, net zomin als de molen van Mazenzele. De Dries van
Mazenzele werd beschermd als monument met een deel van de
omgeving als dorpsgezicht. Dit gebied sluit overigens nauw aan
bij het als dorpsgezicht beschermde deel van de Molenkouter.
Gelijktijdig wordt nauwelijks
aandacht besteed aan de archeologische waarden die nochtans
duidelijk gekend zijn. Eerste en vooral is er de borchtsite
waar voor een beperkt gedeelte archeologisch onderzoek werd
uitgevoerd. We komen hier verder nog op terug. Ander gebied
met archeologische waarde is zeker het zgn. Leen Ten Eeken,
waar overigens een verplichting van voorafgaand onderzoek
geldt voorafgaand aan de bouwfase.
Het voorafgaande is des te vreemder
omdat de gemeente recent in haar cultuurbeleidsplan de
bewaring van het erfgoed als een bijzonder aandachtspunt naar
voren heeft gebracht. Dergelijke intenties kunnen uiteraard
alleen geconcretiseerd worden wanneer er binnen de ruimtelijke
planning voldoende aandacht is.
Het feit dat er met deze
cultuurhistorische waarden geen rekening wordt gehouden, komt
duidelijk tot uiting in de visievorming rond de kern
Mazenzele. Met de kerk, de Dries en de molen met Molenkouter
is een bijzonder groot gedeelte van de kern van het dorp
omwille van zijn cultuurhistorische waarde beschermd geworden.
Uiteraard is dit een aspect dat in de visievorming in
overweging dient te worden genomen. Als er over het gebied
wordt gesproken, gebeurt dat steeds omwille van de zgn.
landschapswaarden. Zoals we verder zullen bespreken, gaat het
hier ons inziens veel meer om een natuurwaarde dan om een
landschapswaarde. Dit lijkt ons een verkeerd uitgangspunt voor
een gebied dat omwille van zijn cultuurhistorische waarde werd
beschermd (historische Dries, Molenkouter).
Dat deze cultuurhistorische waarden
niet in overweging werden genomen, komt ook tot uiting in het
deel over de ruimtelijke context (p. 24), waarin de
Ferraris-kaart als eerste kaart werd aangeduid. Daarbij wordt
voorbij gegaan aan de bijzondere informatie die in het
kaartboek 1725-1726 van Opwijk terug te vinden is. Uit het
overzicht in dit deel blijkt duidelijk dat de ontwerpers van
dit structuurplan niet op de hoogte waren van de beschikbare
literatuur of bestaande literatuur zonder enige vorm van
historische kritiek hebben geraadpleegd. Dit komt duidelijk
naar voor in de ganse opmaak van het gedeelte, dat nochtans
essentieel is bij de verdere uitwerking van de toekomstvisie.
Het ontstaan van de verschillende kernen speelt immers een
essentiële rol in de opmaak van het ganse ruimtelijke
structuurplan.
Alhoewel de Borchtsite in functie van
de groene omgeving rond het Gemeenschapscentrum Hof Ten
Hemelrijk als een belangrijk gebied wordt aangeduid, is daar
bij de verdere visieontwikkeling weinig rekening mee gehouden.
Onder meer via de Centraal Archeologische Inventaris wordt
duidelijk dat dit ganse gebied een uitzonderlijke
archeologische waarde bezit. Er wordt weliswaar verwezen naar
de opgraving die in dit gebied werd uitgevoerd, maar men is er
zich duidelijk onvoldoende van bewust dat men slechts een
beperkt deel van het neerhof van de Borchtsite heeft
opgegraven. Bij elke bodemingreep vallen dan ook bijkomende
vondsten te verwachten. Er dient dan ook te worden gestreefd
naar een optimale bewaring van dit gebied door ingrepen in de
bodem te vermijden en geen constructies op te richten.
Op verschillende plaatsen in dit
ontwerp van structuurplan wordt verwezen naar voorafgaand
overleg met bevoorrechte getuigen. Nergens is ook maar enig
spoor terug te vinden van wie die bevoorrechte getuigen waren
en wat er precies besproken is. Bijvoorbeeld bij de bijlage
over de chronologie van de inspraakvergaderingen is er geen
spoor te bekennen van deze interviews met de bevoorrechte
getuigen. Uit de opmaak van het ganse document blijkt evenwel
duidelijk dat geen enkele getuige werd geraadpleegd die
rekening hield met deze cultuurhistorische waarde. Nochtans is
onze vereniging reeds jarenlang op een intense manier bezig
met deze problematiek. Getuige daarvan de actieve manier
waarop gebruik gemaakt wordt van de diverse
inspraakmogelijkheden, bijvoorbeeld in het kader van openbare
onderzoeken.
Dezelfde vaststelling kan gemaakt
worden wanneer men de samenstelling van de stuurgroep die dit
ontwikkelingsproces begeleidde, bekijkt. In de stuurgroep is
niemand vertegenwoordigd die op een of andere manier de
cultuurhistorische waarde mee in overweging nam.
Hierop aansluitend verwijzen wij ook
naar de aanbevelingen van het Ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap - Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting
en Monumenten en Landschappen - Cel Monumenten en
Landschappen, dd. 11 september 2000 aan het gemeentebestuur
van Opwijk. In dit schrijven wordt op een gedetailleerde wijze
uitgelegd op welke wijze het erfgoed dient betrokken te
betrekken in de lokale structuurplanning.
(p. 12) II.3.2. Afbakening
woningvernieuwings- en woningbouwgebieden.
Verwijzing naar kaart 11:
afbakening woningvernieuwings- en woningbouwgebieden.
Kaart nr. 11 ontbreekt in het
document ORSO (versie april 2002) dat ter inzage lag op het
gemeentehuis in het kader van het openbaar onderzoek en in de
exemplaren die aan de geïnteresseerde burgers verkocht werden.
(p. 14) II.5.1.
Het Gemeentelijk
Natuurontwikkelingsplan Opwijk moet aangepast worden om
coherent te zijn met het ontwerp ruimtelijk structuurplan
Opwijk.
(p. 15-16) II.5.3.
Het Milieubeleidsplan Opwijk moet
aangepast worden om coherent te zijn met het ontwerp
ruimtelijk structuurplan Opwijk.
(p. 16-17) II.6.1. Gebiedsgericht
plan Antwerpen-Brussel
Activiteiten van regionaal belang
moeten geconcentreerd worden langs regionale assen, o.a. N 47.
Voor horeca en distributie gaat het Ontwerp ruimtelijk
structuurplan (ORSO) hier tegen in.
(p. 17) II.6.2. Werkdocument voor
differentiatie en afbakening van de agrarische gebieden.
Het gehucht Hulst wordt aangeduid als
'structureel aangetast', terwijl het in het ORSO als
landschappelijke overgang wordt opgenomen.
Het onaangesneden recreatiegebied ten
oosten van Trod komt daarentegen wel in aanmerking voor opname
in het agrarisch gebied.
(p. 19) II.6.5. Rapport
wenselijkheids- en haalbaarheidsonderzoek gemeentelijk
centrum.
Ondanks nadelen (lage natte zone en
waardevolle landschapskenmerken) van de op het gewestplan
voorziene zone voor dagrecreatie tussen Droeshoutstraat,
Diepenbroek en Groenstraat worden geen andere locaties
onderzocht.
(p. 19-20) II.6.6. Inventaris
waardevolle gebouwen
De geciteerde inventarissen zijn niet
meer actueel (1985) zodat de toevoeging van een aantal
gebouwen en vooral landschappen zich opdringt.
Bij de gebouwen: o.a. diverse
neogotische gebouwen in Opwijk-centrum, de kerk van Droeshout,
de directeurswoning van het klooster, enkele gebouwen in de
Stationsstraat, enkele gebouwen van architect Semal, meerdere
(landelijke kapellen), Schuttershof,... enz.
Bij de landschappen (en/of
dorpsgezichten): het kerkhof van Droeshout, het oud kerkhof
(ontruimd) rond de Sint-Pauluskerk, de parktuin van de villa
Wijnants, de site van de oude Borcht met de gedempte wallen en
wegjes, de dreef van de Hulst, ... enz.
(p. 24): III.1. Historische
ontwikkeling van de ruimtelijke structuur
Hier wordt volledig voorbijgegaan aan
de bijzondere informatie die in het kaartboek 1725-1726 terug
te vinden is. Uit het overzicht in dit deel blijkt duidelijk
dat de ontwerpers van dit structuurplan niet op de hoogte
waren van de beschikbare literatuur of bestaande literatuur
zonder enige vorm van historische kritiek hebben geraadpleegd.
Dit komt duidelijk naar voor in de ganse opmaak van het
gedeelte, dat nochtans essentieel is bij de verdere uitwerking
van de toekomstvisie.
De historische ontwikkeling van de
ruimtelijke structuur is in het Ontwerp structuurplan zeer
onvolledig weergegeven.
Het ontstaan van Opwijk is -volgens
recenter onderzoek- nogal verschillend verlopen dan hier
weergegeven. Jan Lindemans brengt in de aanvullingen en
verbeteringen bij de Geschiedenis van Opwijk reeds een aanzet
voor een andere visie. Die nieuwe visie is uitgewerkt door Jan
Verbesselt in zijn standaardwerk 'Het Parochiewezen in
Brabant tot het einde van de 13e eeuw, Deel VII (1969) Opwijk
(blz. 100-138).
Vijftig jaar voor de kaart van
Ferraris -die trouwens weinig gedetailleerd is- tekende
landmeter J.D. Dekens in 1725-1726 een gedetailleerd meting-
en kaartboek van Opwijk (15+1 kaarten en een perceelsgewijze
inventaris van het onroerend goed van de deelgemeente Opwijk).
Deze land- en metingkaart vormt een beter uitgangspunt van de
ruimtelijke context van Opwijk. Voor Mazenzele tekenden
G.T'Kint en J. Van Langenhove in 1666 een land- en
metingskaart. De primitieve kadasterkaarten van Opwijk en
Mazenzele door J.-G. Gulikers dateren van 1823. De kaarten Van
der Maelen dateren niet van 1860 maar van 1836 en 1847
respectievelijk in Mazenzele en Opwijk. De kadasterkaarten
Popp -nog steeds de basis van de huidige kadasterkaarten-
dateren van ca. 1860.
De nieuwe verbindingswegen (nieuw
tracé) Brussel-Dendermonde (via Mazenzele) en Vilvoorde-Aalst
werden gerealiseerd respectievelijk eind 18e-begin 19e eeuw en
in 1829-1846.
De steenweg op Merchtem werd voltooid
in 1840. Het Schuttershof dateert van het midden van de 19e
eeuw. De Processiestraat werd aangelegd in 1868-69. De
spoorlijnen Brussel-Dendermonde en Aalst-Londerzeel-Mechelen
werd aangelegd in 1876-81 en de Stationsstraat in 1879.
Droeshout centrum ontstond na de
oprichting van de parochie in 1895. Het klooster van Opwijk
werd in 1902-1904 gebouwd en pas later werden er in de straat
woningen gebouwd voorbij de dreef naar het Hof ten Hemelrijk.
Een groot deel van de bebouwing van de Fabriekstraat dateert
van na 1901 toen Vanbreuze werd opgericht. Tijdens de eerste
wereldoorlog werd het zuidelijk deel van Buggenhoutbos (tegen
Opwijk) gerooid.
De aanleg en de bebouwing in de Esp
dateert van 1927.
Na de tweede wereldoorlog werd in
1951 de Bunderstraat aangelegd. De eerste verkaveling
Providentia (Hollestraat) dateert van 1959. De Ringlaan en
Heiveld (samen met de Karenveldstraat, de Sint-Paulusbaan en
een deel van de Nanovestraat) werden aangelegd in 1963-1964.
De volgende verkavelingen waren Korruit, Hoevestraat,
Vitsgaard-Kouterlaan, Ravensveld,
Verlorenkostbaan-Beiaardlaan, Rubensveld, Molenveld en
Konkelgoed.
Grote verkavelingen na 1980 zijn:
Kerseveld, Bunderstraat (uitbreiding), Costershof,
Beekveldstraat, Leen ten Eeken, Nanove enz.
(p. 30) III.3.1. Bestaande open
ruimte structuur
|
- |
Brongebieden: Blouwaart en Trod
(en niet Blauwberg en Trot) |
|
- |
Nanovebos is slechts een
mini-overblijfsel na de verkaveling van Nanove, die samen
met de verkaveling Konkelgoed een deel van het brongebied
vormde. |
(p. 33) Landschappelijke
elementen
De Borchtsite, met haar (gedichte)
omwallingen en de plaats van de vroegere dreef, vormt met de
Kattestaat, de oude pastorie met haar omwallingen en de dreef
naar de steenweg (nu Gasthuisstraat), het Hof ten Hemelrijk
met omliggende boomgaard, het Kareelgeleeg, de dreef naar de
Kloosterstraat, de pastorie en de Waag van Sint-Paulus Opwijk
met de pastorietuin (voor 1850 een boerderij) en alle hier
gelegen kerkwegels één geheel langs de (nu gedichte) Asbeek
met -naast de dreef naar de Gasthuisstraat- de plaats van de
oude (Drievuldigheids)-kerk. Aansluitend hieraan ontstond in
de 13e-14e eeuw het marktplein met Gildenhuis en
brouwerijen-herbergen, de Sint-Pauluskerk met kerkhof en
Kerkstraat, het kerkplein en de Singel met omwalling.
(p. 34-35) III.3.2. Bestaande
nederzettingstructuur:
De woonlinten op de kaart 22
aangeduid zijn zeer beperkend weergegeven. In feite zijn ze
veel talrijker en bevatten naast woningen ook bedrijvigheid.
Deze bedrijvigheid verhoogt sterk de verkeersdruk op deze
woonlinten.
(p. 35-36) III.3.3. Bestaande
ruimtelijk-economische structuur
De handelszaken van Opwijk-Centrum
zijn reeds voor een flink deel verschoven naar de ring rond
het Centrum (vooral Heiveld-Ringlaan) en naar de toegangswegen
(Steenweg op Merchtem, Nieuwstraat-Steenweg op Aalst).
In deze paragraaf wordt veel te
weinig aandacht geschonken aan de ruime dienstenactiviteit
(incl. vrije beroepen), nutsvoorzieningen en scholen.
(p. 36) III.3.4. Bestaande
verkeers- en vervoerstructuur
Spoorlijn is nu Brussel-Sint-Niklaas
en niet Brussel-Dendermonde.
(p. 44) IV. 1.2. Ruimtebehoeften
voor woningen
Een zwak punt in het structuurplan is
het volledig ontbreken van gegevens over de migratie, meer in
het bijzonder de evolutie gedurende de laatste jaren. De
netto-inwijking zou nochtans een grote rol kunnen spelen in de
woningbehoefte. Is de sterke stijging van de prijs van de
bouwgronden en het toenemend gebruik van de spoorwegverbinding
met Brussel geen aanduiding van een te verwachten
netto-inwijking die veel groter zou kunnen zijn dan de
natuurlijke aangroei van de bevolking ?
Een en ander heeft ook een invloed op
de behoefte aan sociale huisvesting, de vergelijking van de
woonbehoeften met het woonaanbod en de
dorpsvernieuwingsbehoeften.
(p. 48-51) IV. 1.4. Onderzoek
naar zonevreemde woningen
|
- |
welke waren de criteria voor de
vaststelling van het aantal zonevreemde woningen (vooral
met betrekking tot woningen bij een landbouwbedrijf in
agrarisch gebied dat al of niet nog in functie is) |
|
- |
welke zijn de verwachtingen voor
binnen 2-3-5 jaar ? (vooral i.v.m. de te verwachten
stopzetting van vele landbouwbedrijven) ? |
|
- |
hoeveel woningen werden
zonevreemd door de uitvaardiging van een plan van aanleg
(meestal Gewestplan, 1977)? Hoeveel woningen werden
zonevreemd gebouwd (dus na de uitvaardiging plan van
aanleg -Gewestplan 1977-, meestal gebruik makend van één
of ander achterpoortje in de regelgeving) ? |
(p. 53-57) IV. 2.4. Mogelijke
locaties voor een nieuw K.M.O. terrein
Tabel nr. 8 - N5-Gebied ten noorden
van Nijverseel ten oosten van N47:
|
- |
Wij lezen: 'Rechtstreekse
toegang tot N47 is mogelijk op verschillende manieren'.
Maar de kaart nr. 63 toont
slechts één manier. Welke zijn de andere (Luikerweg en
Coenstraat zijn uiteraard uitgesloten). Indien de weg
vanop Lebbeeks grondgebied de toegangsweg is (is de
gemeente Lebbeke hiermee akkoord ?), wat is dan de
uitgangsweg (te scheiden omwille van de veiligheid) ? |
|
- |
Bereikbaarheid met openbaar
vervoer.
Wij zien niet in waarom de
bestaande verbinding fietspad Leirekensroute naar
spoorwegstation Opwijk een pluspunt is. De afstand
bedraagt ca. 3 km. Welke eventuele werknemer gaat 's
morgens over zijn fiets beschikken aan het station Opwijk
om naar Rodeveld te rijden ? |
|
- |
Er bevindt zich in het gebied
geen leegstand landbouwbedrijf, maar een vroegere
aardappelloods die nu, in dit agrarisch gebied, volledig
zonevreemd gebruikt wordt voor andere activiteiten. |
|
- |
Het gebied maakt deel uit van een
open ruimte. Dus hier geen '+/-' beoordeling, maar een
duidelijk '-' beoordeling ! |
|
- |
Waarom is er slechts een matige
waarde van het agrarisch gebied ? |
Zie ook
onze opmerkingen bij pagina's 117-120.
(p. 58) IV. 3. Ruimte
voorzieningen
Algemeen is het plan te vaag
geformuleerd en is er geen onderzoek gebeurd naar de
behoeften, afgeleid van mobiliteit en verkeer, met name
parkings en pleinen.
(p. 58-60) IV. 3.2. Onderzoek
naar zonevreemde recreatie
Hierbij is alleen uitgegaan van de
bestaande recreatie, zonder rekening te houden met de
spreiding over de gemeente. De toegekende categorieën zijn
duidelijk te hoog, rekening gehouden met het algemeen
ruimtelijk plan. Elk terrein zou 1 categorie minder moeten
krijgen.
KSK Opwijk in de Fabriekstraat is ook
deels zonevreemd (woongebied).
Er is geen plan voor een
multifunctioneel plein voor activiteiten.
(p. 61-63) V. Knelpunten
In het overgangsgebied/brongebied van
de Asbeek zijn de verkavelingen Konkelgoed en Nanove reeds een
zware aantasting van de open ruimte.
Het effect van de woonlinten is sterk
onderschat.
De centrum-vierhoek is reeds zo ver
overschreden dat hij nog weinig structuur brengt in
Opwijk-centrum.
Het straatbeeld is in veel meer
straten gehavend dan alleen in de Kattestraat en de
Gasthuisstraat (bvb. de Processiestraat, Fabriekstraat,
Heirbaan).
Profi is niet aan de ring maar aan de
Vitsgaard gelegen; Unic (nu GB) is in de Nieuwstraat gelegen
en Spar-Elite in de Fabriekstraat.
Naar de Stationsstraat is er geen
verschuiving van handelszaken, eerder het tegenovergestelde.
Verkeer en mobiliteit
Op verschillende plaatsen in het
ontwerp structuurplan (o.m. p. 63, p. 68, p. 81, p. 121) wordt
gepleit voor de uitbouw van een fiets- en
voetgangersvriendelijk verbindingsnetwerk. Uiteraard sluiten
wij ons volledig aan bij deze voornemens. De gegevens die
hieromtrent in het structuurplan zijn opgenomen zijn bijzonder
disparaat en geven weinig inzicht in de visievorming en de
ontwikkelingsmogelijkheden.
Wij hebben de indruk dat vooral
getracht wordt een diversificatie in het gebruik van de wegen
te bevorderen waarbij een aantal wegen in de nabijheid van
knelpunten in functie van de zachte weggebruiker worden
ontwikkeld.
Nochtans bestaat er reeds een
historisch gegroeid netwerk van buurt en andere landelijke
wegen. Dit netwerk leent zich uitstekend voor de ontwikkeling
van veilige wegen voor de zachte weggebruiker zelfs over
bijzonder lange afstanden en intergemeentelijk.
Wij stellen ons echter vragen bij de
implementatie van dit zwak onderbouwde gegeven in een gemeente
die tijdens de afgelopen jaren van opmaak van het
structuurplan vooral veel van deze wegen heeft afgeschaft,
verlegd,... zonder daarbij rekening te houden met het
veiligheidsaspect.
Voor verkeer en mobiliteit is een
veel stricter beleid nodig, vooral voor vrachtvervoer (bvb. +
3,5 ton in de Stationsstraat). Er is nood aan een plan voor
parkings, pleinen en rotondes.
(p. 67) V. 2.2. Kwaliteiten
i.v.m. sectoren
Geen kwaliteiten i.v.m. huisvesting,
handel en nijverheid ?!
Gemeenschapsuitrusting: overdreven.
(p. 68) Landschap
Begrip landschap
Bij de opmaak van dit ontwerp
structuurplan heeft men zich bijzonder gebaseerd op de
geomorfologie van het landschap en het gevolg daarvan op
bodemstructuur, waterhuishouding,...
Van daaruit is men vertrokken om de
landschappelijke waarden vast te leggen, onder meer op basis
van het huidige gebruik. Daarbij wordt sterk uitgegaan van de
biologische waarde van het landschap. Opnieuw werd op geen
enkele manier de culturele landschapswaarde in rekening
gebracht. Nochtans wijzen recente wetenschappelijke studies er
terecht op dat gans Vlaanderen als één groot cultuurlandschap
kan worden beschouwd, waarin zich uiteraard ook zones bevinden
die zich omwille van hun belangrijke biologische waarden
onderscheiden.
Het is ons inziens een fundamentele
fout bij de ontwikkeling van de visie dat op geen enkele
manier rekening werd gehouden met de het fundamenteel
onderzoek dat de afgelopen jaren rond (cultuur)landschappen
werd gevoerd en dat resulteerde in de Landschapsatlas. De
Landschapsatlas zorgt immers op een systematische manier voor
de beschrijving van de (cultuurhistorische) waarde van de
landschappen aan de hand van begrippen als ankerpunten,
relictzones,...
Ook voor Opwijk zijn deze gegevens
beschikbaar en makkelijk raadpleegbaar.
Door serieus vooronderzoek zou kunnen
vermeden worden dat verkeerde uitgangspunten worden gehanteerd
en dat biologische waarde constant en ten onrechte verward
wordt met landschappelijke waarde. Op p. 68 wordt als
specifiek landschap onder meer verwezen naar de Molenkouter
(door de bescherming als dorpsgezicht nochtans een typisch
voorbeeld van een cultuurhistorisch landschap) en naar het
klooster met omgeving.
Wij zijn van mening dat groene zones
en parken zoals de tuin van het Kasteeltje, de kloostertuin,
de omgeving van het Hof ten Hemelrijk,...
belangrijke elementen zijn in de verdere ontwikkeling van de
groene ruimtes binnen de gemeente. Wanneer men er echter niet
in slaagt de huidige diversiteit, ontstaan omwille van een
verschillende cultuurhistorische achtergrond, te vrijwaren, is
dit een maat voor niets.
In de ganse bespreking van de groene
en open ruimtes worden overigens enkele gebieden geselecteerd
die door veel waarnemers niet als open ruimtes worden
aangevoeld. Nochtans is dit een belangrijk uitgangspunt
geweest bij de opmaak van het structuurplan. Door de bebouwing
van de Klei en in mindere mate van de Steenweg op Merchtem en
de Steenweg op Vilvoorde, kan men moeilijk spreken van een
open ruimte gebied.
(p. 68-69) V. 2.3. Belangrijkste
kwaliteiten
Potenties en troeven zijn zwak en
weinig gestructureerd. |